Fokken

Intro
Bij elke dierenliefhebber ontstaat na verloop van tijd ook de wens om jonge dieren te gaan fokken.
Niets is zo mooi als ouderdieren met jongen. Het is een geweldige ervaring om het opgroeien van jonge dieren dagelijks te volgen. Er is echter ook een ‘maar’ aan verbonden. Er is wel enige kennis voor nodig. Is die kennis er niet, dan is het verstandig om eerst met fokkers te praten om van ervaringen te leren.


De eend dekt haar eieren toe als zij het nest verlaat

Keuze van de fokdieren
Het fokken begint bij de selectie (keuze) van de ouderdieren. Zij moeten kerngezondheid en vitaal zijn en de specifieke eigenschappen bezitten die bij de soort of het ras horen. Al deze raseigenschappen zijn in een standaard beschreven.
Deze eigenschappen moeten ook bij de jonge dieren terug komen of nog verbeterd worden.
Zo hoort het ras of de soort er uit te zien en daarop worden deze dieren op een tentoonstelling beoordeeld door de keurmeester.
Maar ook als alleen gefokt wordt om een paar jonge dieren erbij te hebben, is het nodig dezelfde zware selectiecriteria te gebruiken. Anders verliezen de dieren in de loop van de tijd hun raseigenschappen en vitaliteit.

Bevruchting
Veel oorspronkelijke watervogels blijven hun hele leven een paar. Het baltsgedrag wordt meestal al in de herfst getoond. Oorspronkelijke watervogels leven als regel monogaam. Het is belangrijk de paren zo lang mogelijk samen te houden. Vooral zwanen zijn zeer trouw aan hun levenspartner. Sterft één van beiden, dan kwijnt de ander soms helemaal weg. Gebruik bij het samenstellen van fokstellen jonge dieren die niet aan elkaar verwant zijn.

Bij de gedomesticeerde rassen is het koppelen gemakkelijker. Hoewel sommige woerden een voorkeur hebben voor een bepaalde eend, kunnen er meerdere eenden bij dezelfde woerd gehouden worden. Het samenstellen van deze fokparen, -trio’s of -tomen gebeurt in het voorjaar, maar wel ruim voordat de leg begint.

Elk ras of soort heeft een bepaalde voorkeur voor een nestgelegenheid.
Eenden maken graag een keuze uit meerdere leg- of broedhokken. Denk aan houten, betonnen of gevlochten nestenkasten of -korven, melkbussen, forse kruiken of holle boomstammen. De openingen mogen niet te groot zijn. Voor de meeste rassen en soorten eenden is een opening met een diameter van ruim tien cm al voldoende.
Het is beter een aantal broedhokken te plaatsen. Zodra de dieren een nestplaats hebben gekozen en de eerste eieren zijn gelegd, worden de andere nestgelegenheden weggehaald. Meestal zoeken de dieren het jaar erop weer dezelfde nestplaats op. De vorm en inrichting van een nestgelegenheid kan op veel manieren. Kijk ook bij de fokker waar de dieren worden gekocht.

Ganzen en zwanen maken van stro, takjes en dergelijk materiaal een nest en hebben geen nestkast of afdak nodig.

Gedomesticeerde eenden en ganzenrassen zijn al in het eerste levensjaar leg- en broedrijp. Vooral de legeenden beginnen al op een leeftijd van vier tot vijf maanden met leggen.
De leg bij oorspronkelijke eenden- en ganzensoorten begint meestal na het tweede levensjaar, soms het derde met uitschieters naar het vierde levensjaar. Veel zwanensoorten zijn pas geslachtsrijp in hun derde of vierde jaar.

Indische Strepengans met kuikens

Broeden en uitkomen van de eieren
Als een legsel kompleet is, begint het broeden.
Tijdens het broeden van de eenden, ganzen of zwanen worden de dieren met rust gelaten.
Als de eieren ongeveer tien tot veertien dagen zijn bebroed, worden ze geschouwd (met een schouwlamp) om te zien of ze bevrucht zijn. Zijn de eieren niet bevrucht, dan wordt het legsel weggehaald. Na een aantal weken wordt er dan een tweede legsel geproduceerd. Hoewel bij bijna alle rassen en soorten het vrouwelijke dier het broeden voor haar rekening neemt, broeden bij de Boomeenden beide geslachten beurtelings.

De broedduur bij de gedomesticeerde rassen is 28 dagen en bij de oorspronkelijke soorten varieert deze afhankelijk van de soort tussen 23 tot 35 dagen. Meestal komen de kuikens vrij kort na elkaar uit het ei. Al snel daarna komt het kroost uit het nest, dat daarna niet meer gebruikt wordt
Bij ganzen, zwanen en de oorspronkelijke eenden zorgen beide ouders voor de jongen. Bij de gedomesticeerde eenden zorgen de woerden niet voor de kuikens.

Eieren van watervogels worden soms kunstmatig met een broedmachine uitgebroed.
Meestal laat de fokker de eend of gans de eieren tien tot veertien dagen ‘voorbroeden’. Bij het overleggen naar de broedmachine worden de eieren geschouwd en alleen de bevruchte eieren gaan de broedmachine in.
Al snel hierna begint de eend of de gans weer eieren te leggen.

Broedse kippen (meestal krielkippen) worden ook gebruikt om eieren van watervogels uit te broeden.

Opfokken van jonge dieren
Bij natuurlijk broeden zorgen de ouderdieren voor de kuikens. De rennen worden goed afgeschermd tegen roofvogels.
In de eerste dagen krijgen de dieren een niet te diep bakje met water waar de kuikens gemakkelijk in en uit kunnen komen. Veel water is niet nodig, wel schoon water.
Al snel kunnen de jonge dieren naar de vijver. De afvoerpijp van de vijver is voor kleine kuikens gevaarlijk. Zij verdrinken als ze in de pijp terecht komen.


Indische Strepengans: kuikens ongeveer 2 weken oud

Als de kuikens zijn uitgekomen in de broedmachine worden ze geplaatst in speciale opfokbakken, die voorzien zijn van een (elektrische) warmtelamp. In die opfokbakken is een verdiept gedeelte met water dat in de eerste dagen afgeschermd is met fijnmazig gaas. Op deze manier is de waterdiepte maar enkele centimeters. Oudere kuikens krijgen steeds meer water tot hun beschikking. Als de kuikens twee tot drie weken oud zijn, worden ze in een ruimere opfokruimte geplaatst met een dieper en groter wateroppervlak. Deze manier van opfokken vraagt veel aandacht. De opfokbakken moeten dagelijks schoongemaakt worden om ziekten te voorkomen.

Kuikens laten opgroeien bij de krielkip werkt ook prima. De kuikens gaan tijdens het opgroeien steeds vaker naar het zwemwater en de pleegmoeder schikt zich daarin.

Belangrijk is na te gaan of de kleine kuikens niet uit de ren kunnen ontsnappen. Ontsnapte kuikens zijn dankzij hun schutkleur nauwelijks te vinden en met hun kleine pootjes kunnen ze heel hard lopen.

Ringen
Een voorwaarde voor het insturen van dieren naar een tentoonstelling is dat ze een vaste pootring dragen. Deze ringen worden door Kleindier Liefhebbers Nederland (KLN) uitgegeven. De grootte van het ras of soort bepaalt welke ringmaat wordt gebruikt. KLN heeft een ringenlijst met de juiste ringmaat voor elk ras of soort.

Oorspronkelijke watervogels mogen ook geringd zijn met ringen die door Aviornis (Vereniging van park- en sierwatervogels) worden uitgegeven. De ringmaten van beide organisaties zijn gelijk.
Dieren met een buitenlandse ring van een erkende organisatie in dat land mogen in Nederland ingezonden worden op tentoonstellingen. Voorwaarde is dat dat land aangesloten is bij de Entente Europeènne (E.E.).

De ringen moeten op tijd worden besteld omdat de jonge dieren snel groeien. Jongen van sommige soorten moeten al op een leeftijd van acht tot tien dagen geringd worden. Soms moet ook, afhankelijk van de soort, wat langer gewacht worden. Zo nu en dan even passen en kijken of de ring blijft zitten.
Voor beide geslachten wordt, behalve bij de Muskus eend, een gelijke ringmaat aangehouden. Op de ring staan de letters van de uitgevende organisatie (voor KLN is dat: NL-H) met daarbij de diameter van de ring, het jaartal en een volgnummer. Elk jaar krijgen de ringen een andere kleur. De volgorde van de kleuren is door de E.E. vastgesteld voor alle aangesloten landen.

Continu selecteren tijdens opfok
Fokken betekent ook selecteren. Jonge dieren worden regelmatig op hun ontwikkeling gecontroleerd. Jonge dieren die niet gelijkmatig opgroeien en/of afwijkingen vertonen aan vooral poten, vleugels, kop en ogen worden nooit perfecte vertegenwoordigers van het ras of de soort en moeten niet aangehouden worden. De ontwikkeling per jong kan bijgehouden worden met het ringnummer. Door alleen de beste dieren te houden blijft het ras of de soort zuiver en vitaal gehouden en dat is het doel waarnaar de fokker/liefhebber streeft.

EEndenkuikens nat
Eendenkuikens bezig met het waterdicht maken van hun donsveren

Leewieken
Oorspronkelijke watervogels worden als kuiken geleewiekt om te voorkomen dat ze later wegvliegen en zich vermengen met de lokale watervogels. De kuikens worden geleewiekt als ze drie tot vijf dagen oud zijn. Leewieken houdt in dat het laatste gedeelte van één vleugel wordt geamputeerd, maar waarbij wel de duimveertjes blijven staan. Leewieken is een kleine ingreep en moet volgens de wet door een dierenarts worden gedaan.

Huisvesten van de jonge dieren
Er moet voldoende ruimte zijn voor de jonge dieren en niet alleen als ze nog klein zijn, maar ook later als ze volgroeid zijn. Is deze ruimte er niet, dan ontstaat overbevolking met alle problemen van dien.
Fok dan nog niet en zorg eerst voor voldoende hokken voor uw jonge dieren.


Jonge Bergeend, 4 weken oud

Vooral in de warme periode is dagelijkse verversing van het zwemwater nodig, uiteraard afhankelijk van de soort vijver of waterpartij. Dit is vooral belangrijk zodra de kuikens komen. Zij gaan direct naar het water. Weer uit het water komen is een groter probleem. Een steile rand van vier tot vijf cm is al te veel en ze lopen het risico te verdrinken. Een vloeiende schuine uitloop is dus nodig.