Showen

Intro
Fokkers willen graag hun fokresultaat aan andere fokkers en liefhebbers laten zien en tegelijkertijd in competitie strijden om te zien wie de beste dieren heeft.
Overal in het land worden in de maanden september tot en met januari kleindierententoonstellingen georganiseerd.
Voor een overzicht van de kleindierententoonstellingen (met adresinformatie) in Nederland, klik hier.
In vogelvlucht wordt beschreven wat er allemaal gebeurt voor, tijdens en na een kleindierententoonstelling.

 


Overzicht van een kleindierententoonstelling

Selecteren en huisvesten van showdieren
Bij de selectie van de dieren voor een tentoonstelling wordt gelet op gezondheid, vitaliteit en uiterlijke kenmerken. Deze dieren worden thuis enkele dagen van te voren af en toe geplaatst in een tentoonstellingskooi of een kooi die daarop lijkt. De dieren wennen snel aan deze kooi en gedragen zich later op een echte tentoonstelling veel rustiger. Tijdens deze trainingssessies moeten de dieren wel water en voer krijgen.

Conditioneren
Als de dieren op of in een goed onderhouden terrein of volière worden gehouden, is de conditie van de bevedering meestal wel goed. Bij een goede voedering is de lichaamsconditie vrijwel altijd goed.
Van nature houden watervogels hun verenpak in een goede conditie. Een enkele miskleurige veer kan verwijderd worden. Verder hoeft aan de conditie niet verbeterd te worden. Het opfrissen van de snavel- en pootkleur met vetachtige stoffen is gevaarlijk. Deze stoffen kleven aan de veren en dan is het mooie eraf.

Verzendmateriaal
Als het tijdstip is aangebroken om de dieren naar de tentoonstelling te brengen, worden de snavel en poten schoon gemaakt voordat ze in de verzendkist worden geplaatst.
Het beste is elk dier apart in een verzendkist plaatsen en op de kist het etiket te plakken van de organiserende tentoonstellingsorganisatie. Op dit etiket wordt ook het ringnummer geschreven, zodat bij het uitkooien gecontroleerd kan worden of het juiste dier wordt meegenomen.

Papierwinkel
Inschrijven voor een tentoonstelling verloopt volgens de procedure die beschreven is in het vraagprogramma van die tentoonstelling. De plaatselijke kleindiervereniging stuurt haar leden het vraagprogramma ruim van te voren toe. Vraagprogramma’s van andere tentoonstellingen worden bij de betreffende tentoonstellingssecretaris aangevraagd.
In het vraagprogramma is alle informatie opgenomen over de tentoonstelling.
Is hierbij hulp nodig, ga dan naar een ervaren fokker van een plaatselijke kleindiervereniging.
De tentoonstellingsorganisatie stuurt de inzender kort voor de tentoonstelling de inschrijfbevestiging en een etiket voor elk dier met het kooinummer op de tentoonstelling.


Ook een prachtig voorbeeld van watervogels op een vrij beperkte ruimte

Dieren inkooien
Inkooien is het brengen van de ingeschreven dieren naar de tentoonstelling en het plaatsen van de dieren in de aangewezen kooien.
De meeste fokkers brengen zelf of met enkele personen samen de dieren naar de tentoonstelling.
De grote (nationale) tentoonstellingen verzorgen vervoerslijnen door heel Nederland. Dit vervoer is veel goedkoper dan zelf de dieren wegbrengen en ophalen. In de vraagprogramma's van deze grote tentoonstellingen zijn de vervoerslijnen beschreven, inclusief de voorwaarden om mee te doen.
De inzender of de vervoerder plaatst de dieren in de kooien. Het ringnummers van elk ingekooid dier wordt door de inzender op de achtergrondkaart geschreven die al bij de kooi hangt. Op deze kaart wordt na de keuring de beoordelingskaart van het dier bevestigd.
De lege transportkist wordt onder de kooien geplaatst.

Keuringen en keurresultaten
Meestal zijn alleen tentoonstellingsmedewerkers, keurmeesters, helpers en schrijvers tijdens de keuring van de dieren aanwezig.
In het vraagprogramma staat vermeld welke keurmeester de dieren keurt.
De keurmeester keurt de dieren volgens vaste regels en volgens de vastgestelde standaardbeschrijving.
De beoordelingskaart wordt bij de kooi opgehangen, zodat iedereen de beoordeling van elk dier kan lezen. De inzender kan de beoordelingskaarten opvragen om mee te nemen.
De keurmeester gebruikt de onderstaande predikaten bij de beoordeling met daarbij genoemd de te behalen punten per predikaat:

DIS is Diskwalificatie en 0 punten; het dier is uitgesloten door een fout van de fokker
O is Onvoldoende en 0 punten; de laagste beoordeling voor een dier met een ernstige fout
V is Voldoende en 90 punten; het dier beantwoordt nog net aan de standaardbeschrijving
G is Goed en 91 en 92 punten; het dier is een matige tot goede vertegenwoordiger van het ras
ZG is Zeer Goed en 93, 94 of 95 punten; de punten geven aan dat het om een krappe, een gemiddelde en een royale ZG gaat, waarbij de laatste een hele mooie vertegenwoordiger van het ras is
F is Fraai en 96 punten; het dier en vooral ook het type (vorm) is beoordeeld als fraai, dus in totaal een fraai exemplaar
U is Uitmuntend en 97 punten; dit dier benadert op alle onderdelen het ideaalbeeld.

 

Prijzen
Het toekennen van de verschillende prijzen, zoals beschreven in het vraagprogramma, volgt als alle dieren gekeurd zijn.
De gewonnen prijzen worden in een aparte lijst in de catalogus opgenomen in volgorde van prijsnummer. De nummers van de prijzen zijn ook in het vraagprogramma opgenomen. De inzender ontvangt de gewonnen prijzen meestal op de tentoonstelling. Geldprijzen worden soms overgemaakt via giro- of bankrekening.

Uitkooien
Als de show afgelopen is worden de dieren rustig uit de kooien genomen. Let goed op dat de juiste dieren worden meegenomen en niet per ongeluk een dier van iemand anders. Omdat het nummer van de kooi en het ringnummer op het etiket van de verzendkist staan is controle mogelijk.

Terug in de hokken
Thuis gekomen worden de dieren weer in hun eigen omgeving geplaatst. Zijn er geen grote temperatuurverschillen tussen binnen en buiten en is er nog daglicht, dan kunnen de dieren direct terug gezet worden.
Is het al donker, dan blijven de dieren in de transportkisten tot de volgende ochtend. Deze kisten worden in een tochtvrije schuur of garage geplaatst. De ventilatieopeningen mogen niet geblokkeerd worden. Vriest het buiten sterk, dan is het nodig de dieren eerst in een schuur te laten wennen aan de andere temperatuur dan in de tentoonstellingshal en/of de auto. De overgang is anders te groot.
De volgende ochtend zijn de dieren goed tot rust gekomen en worden bij daglicht weer in hun vertrouwde omgeving geplaatst.

Fokken

Intro
Bij elke dierenliefhebber ontstaat na verloop van tijd ook de wens om jonge dieren te gaan fokken.
Niets is zo mooi als ouderdieren met jongen. Het is een geweldige ervaring om het opgroeien van jonge dieren dagelijks te volgen. Er is echter ook een ‘maar’ aan verbonden. Er is wel enige kennis voor nodig. Is die kennis er niet, dan is het verstandig om eerst met fokkers te praten om van ervaringen te leren.


De eend dekt haar eieren toe als zij het nest verlaat

Keuze van de fokdieren
Het fokken begint bij de selectie (keuze) van de ouderdieren. Zij moeten kerngezondheid en vitaal zijn en de specifieke eigenschappen bezitten die bij de soort of het ras horen. Al deze raseigenschappen zijn in een standaard beschreven.
Deze eigenschappen moeten ook bij de jonge dieren terug komen of nog verbeterd worden.
Zo hoort het ras of de soort er uit te zien en daarop worden deze dieren op een tentoonstelling beoordeeld door de keurmeester.
Maar ook als alleen gefokt wordt om een paar jonge dieren erbij te hebben, is het nodig dezelfde zware selectiecriteria te gebruiken. Anders verliezen de dieren in de loop van de tijd hun raseigenschappen en vitaliteit.

Bevruchting
Veel oorspronkelijke watervogels blijven hun hele leven een paar. Het baltsgedrag wordt meestal al in de herfst getoond. Oorspronkelijke watervogels leven als regel monogaam. Het is belangrijk de paren zo lang mogelijk samen te houden. Vooral zwanen zijn zeer trouw aan hun levenspartner. Sterft één van beiden, dan kwijnt de ander soms helemaal weg. Gebruik bij het samenstellen van fokstellen jonge dieren die niet aan elkaar verwant zijn.

Bij de gedomesticeerde rassen is het koppelen gemakkelijker. Hoewel sommige woerden een voorkeur hebben voor een bepaalde eend, kunnen er meerdere eenden bij dezelfde woerd gehouden worden. Het samenstellen van deze fokparen, -trio’s of -tomen gebeurt in het voorjaar, maar wel ruim voordat de leg begint.

Elk ras of soort heeft een bepaalde voorkeur voor een nestgelegenheid.
Eenden maken graag een keuze uit meerdere leg- of broedhokken. Denk aan houten, betonnen of gevlochten nestenkasten of -korven, melkbussen, forse kruiken of holle boomstammen. De openingen mogen niet te groot zijn. Voor de meeste rassen en soorten eenden is een opening met een diameter van ruim tien cm al voldoende.
Het is beter een aantal broedhokken te plaatsen. Zodra de dieren een nestplaats hebben gekozen en de eerste eieren zijn gelegd, worden de andere nestgelegenheden weggehaald. Meestal zoeken de dieren het jaar erop weer dezelfde nestplaats op. De vorm en inrichting van een nestgelegenheid kan op veel manieren. Kijk ook bij de fokker waar de dieren worden gekocht.

Ganzen en zwanen maken van stro, takjes en dergelijk materiaal een nest en hebben geen nestkast of afdak nodig.

Gedomesticeerde eenden en ganzenrassen zijn al in het eerste levensjaar leg- en broedrijp. Vooral de legeenden beginnen al op een leeftijd van vier tot vijf maanden met leggen.
De leg bij oorspronkelijke eenden- en ganzensoorten begint meestal na het tweede levensjaar, soms het derde met uitschieters naar het vierde levensjaar. Veel zwanensoorten zijn pas geslachtsrijp in hun derde of vierde jaar.

Indische Strepengans met kuikens

Broeden en uitkomen van de eieren
Als een legsel kompleet is, begint het broeden.
Tijdens het broeden van de eenden, ganzen of zwanen worden de dieren met rust gelaten.
Als de eieren ongeveer tien tot veertien dagen zijn bebroed, worden ze geschouwd (met een schouwlamp) om te zien of ze bevrucht zijn. Zijn de eieren niet bevrucht, dan wordt het legsel weggehaald. Na een aantal weken wordt er dan een tweede legsel geproduceerd. Hoewel bij bijna alle rassen en soorten het vrouwelijke dier het broeden voor haar rekening neemt, broeden bij de Boomeenden beide geslachten beurtelings.

De broedduur bij de gedomesticeerde rassen is 28 dagen en bij de oorspronkelijke soorten varieert deze afhankelijk van de soort tussen 23 tot 35 dagen. Meestal komen de kuikens vrij kort na elkaar uit het ei. Al snel daarna komt het kroost uit het nest, dat daarna niet meer gebruikt wordt
Bij ganzen, zwanen en de oorspronkelijke eenden zorgen beide ouders voor de jongen. Bij de gedomesticeerde eenden zorgen de woerden niet voor de kuikens.

Eieren van watervogels worden soms kunstmatig met een broedmachine uitgebroed.
Meestal laat de fokker de eend of gans de eieren tien tot veertien dagen ‘voorbroeden’. Bij het overleggen naar de broedmachine worden de eieren geschouwd en alleen de bevruchte eieren gaan de broedmachine in.
Al snel hierna begint de eend of de gans weer eieren te leggen.

Broedse kippen (meestal krielkippen) worden ook gebruikt om eieren van watervogels uit te broeden.

Opfokken van jonge dieren
Bij natuurlijk broeden zorgen de ouderdieren voor de kuikens. De rennen worden goed afgeschermd tegen roofvogels.
In de eerste dagen krijgen de dieren een niet te diep bakje met water waar de kuikens gemakkelijk in en uit kunnen komen. Veel water is niet nodig, wel schoon water.
Al snel kunnen de jonge dieren naar de vijver. De afvoerpijp van de vijver is voor kleine kuikens gevaarlijk. Zij verdrinken als ze in de pijp terecht komen.


Indische Strepengans: kuikens ongeveer 2 weken oud

Als de kuikens zijn uitgekomen in de broedmachine worden ze geplaatst in speciale opfokbakken, die voorzien zijn van een (elektrische) warmtelamp. In die opfokbakken is een verdiept gedeelte met water dat in de eerste dagen afgeschermd is met fijnmazig gaas. Op deze manier is de waterdiepte maar enkele centimeters. Oudere kuikens krijgen steeds meer water tot hun beschikking. Als de kuikens twee tot drie weken oud zijn, worden ze in een ruimere opfokruimte geplaatst met een dieper en groter wateroppervlak. Deze manier van opfokken vraagt veel aandacht. De opfokbakken moeten dagelijks schoongemaakt worden om ziekten te voorkomen.

Kuikens laten opgroeien bij de krielkip werkt ook prima. De kuikens gaan tijdens het opgroeien steeds vaker naar het zwemwater en de pleegmoeder schikt zich daarin.

Belangrijk is na te gaan of de kleine kuikens niet uit de ren kunnen ontsnappen. Ontsnapte kuikens zijn dankzij hun schutkleur nauwelijks te vinden en met hun kleine pootjes kunnen ze heel hard lopen.

Ringen
Een voorwaarde voor het insturen van dieren naar een tentoonstelling is dat ze een vaste pootring dragen. Deze ringen worden door Kleindier Liefhebbers Nederland (KLN) uitgegeven. De grootte van het ras of soort bepaalt welke ringmaat wordt gebruikt. KLN heeft een ringenlijst met de juiste ringmaat voor elk ras of soort.

Oorspronkelijke watervogels mogen ook geringd zijn met ringen die door Aviornis (Vereniging van park- en sierwatervogels) worden uitgegeven. De ringmaten van beide organisaties zijn gelijk.
Dieren met een buitenlandse ring van een erkende organisatie in dat land mogen in Nederland ingezonden worden op tentoonstellingen. Voorwaarde is dat dat land aangesloten is bij de Entente Europeènne (E.E.).

De ringen moeten op tijd worden besteld omdat de jonge dieren snel groeien. Jongen van sommige soorten moeten al op een leeftijd van acht tot tien dagen geringd worden. Soms moet ook, afhankelijk van de soort, wat langer gewacht worden. Zo nu en dan even passen en kijken of de ring blijft zitten.
Voor beide geslachten wordt, behalve bij de Muskus eend, een gelijke ringmaat aangehouden. Op de ring staan de letters van de uitgevende organisatie (voor KLN is dat: NL-H) met daarbij de diameter van de ring, het jaartal en een volgnummer. Elk jaar krijgen de ringen een andere kleur. De volgorde van de kleuren is door de E.E. vastgesteld voor alle aangesloten landen.

Continu selecteren tijdens opfok
Fokken betekent ook selecteren. Jonge dieren worden regelmatig op hun ontwikkeling gecontroleerd. Jonge dieren die niet gelijkmatig opgroeien en/of afwijkingen vertonen aan vooral poten, vleugels, kop en ogen worden nooit perfecte vertegenwoordigers van het ras of de soort en moeten niet aangehouden worden. De ontwikkeling per jong kan bijgehouden worden met het ringnummer. Door alleen de beste dieren te houden blijft het ras of de soort zuiver en vitaal gehouden en dat is het doel waarnaar de fokker/liefhebber streeft.

EEndenkuikens nat
Eendenkuikens bezig met het waterdicht maken van hun donsveren

Leewieken
Oorspronkelijke watervogels worden als kuiken geleewiekt om te voorkomen dat ze later wegvliegen en zich vermengen met de lokale watervogels. De kuikens worden geleewiekt als ze drie tot vijf dagen oud zijn. Leewieken houdt in dat het laatste gedeelte van één vleugel wordt geamputeerd, maar waarbij wel de duimveertjes blijven staan. Leewieken is een kleine ingreep en moet volgens de wet door een dierenarts worden gedaan.

Huisvesten van de jonge dieren
Er moet voldoende ruimte zijn voor de jonge dieren en niet alleen als ze nog klein zijn, maar ook later als ze volgroeid zijn. Is deze ruimte er niet, dan ontstaat overbevolking met alle problemen van dien.
Fok dan nog niet en zorg eerst voor voldoende hokken voor uw jonge dieren.


Jonge Bergeend, 4 weken oud

Vooral in de warme periode is dagelijkse verversing van het zwemwater nodig, uiteraard afhankelijk van de soort vijver of waterpartij. Dit is vooral belangrijk zodra de kuikens komen. Zij gaan direct naar het water. Weer uit het water komen is een groter probleem. Een steile rand van vier tot vijf cm is al te veel en ze lopen het risico te verdrinken. Een vloeiende schuine uitloop is dus nodig.

Ziektebestrijding

Intro
Bij alle dieren komen ziekten, afwijkingen en gebreken voor. Het is niet mogelijk deze allemaal te beschrijven of om precies aan te geven hoe de liefhebber moet handelen.
Gebreken zijn voor het geoefende oog snel te zien.
Dat begint bij de geboorte met skeletafwijkingen, afwijkingen aan poten of snavel. Aan dit soort gebreken is niets te doen. In de vrije natuur zijn deze kuikens de eerste prooi van roofdieren. De natuur zorgt er zelf voor dat deze dieren niet opgroeien.
Ook de liefhebber moet dit erkennen en handelend optreden. Dieren met afwijkingen laten leven is niet diervriendelijk.
In dit hoofdstuk wordt geprobeerd enige handvatten te geven voor de behandeling van zieke dieren.

Herkennen en isoleren van zieke dieren
Zieke dieren vertonen vaak lusteloos gedrag. De kop hangt vaak naar beneden, het dier waggelt moeizaam voort, zondert zich af en eet vaak niet meer. Het is moeilijk de specifieke ziekte te herkennen, behalve als het uitwendige beschadigingen zijn.
Zodra een dier afwijkend gedrag vertoont, wordt dit dier geïsoleerd van de andere dieren. Zieke dieren worden vaak het doelwit van gezonde dieren en brengen de ziekte misschien ook op andere dieren over.
Plaats deze dieren in een aparte ruimte en met schoon water en zorg dat het voer niet bevuild kan worden. Belangrijk is ook om de bodembedekking schoon te houden.

Welke ziekte is het en wat kun je doen
Het herkennen van darmziekten is soms mogelijk, omdat de mest van zieke dieren afwijkt van die van gezonde dieren.
Een antibioticakuur kan in een beginstadium helpen. Soms vormen ingewandswormen een probleem. Door een op de leeftijd van het dier afgestemde wormkuur te geven is het probleem vaak opgelost.
Soms wordt preventief in het vroege voorjaar een wormkuur gegeven en nog eens herhaald in het najaar. Een wormkuur kan met een injectie toegediend worden.
Er zijn ook wormkuren die door het voer gemend worden.

Bij watervogels kunnen ook bacterie- en virusziekten voorkomen. Het begin van een ziekte uit zich vaak in het gedrag van de dieren. Tonen de dieren afwijkend gedrag of groeien ze slecht, dan is er waarschijnlijk een ziekte in het spel.
Bij weinig ervaring met ziekten bij watervogels is het onverstandig om zonder deskundige begeleiding zelf geneesmiddelen te gaan gebruiken. De dierenarts is de specialist, maar ervaren watervogelfokkers zijn vaak ook in staat hulp te bieden.
Ga nooit met het dier naar een collega-fokker toe (besmettingsgevaar). Beter is het deze persoon te vragen of te komen kijken wat er mogelijk aan mankeert. Gaandeweg leert men hierdoor zelf ook beter de ziekte (sneller) te herkennen en dat is in het voordeel van de dieren.

Een probleem dat zich nog wel eens voor doet is het ‘lek worden’. Zowel bij jonge als oude dieren komt dit voor. De veren zijn niet goed ontwikkeld of vet genoeg en daardoor dringt water door tot op de huid van de dieren.
De borst- en buikbevedering bij jonge dieren is soms niet goed ontwikkeld als gevolg van een worminfectie. Het toedienen van een wormmiddel lost dit probleem op.
Als oudere dieren lek worden kan dit ook het gevolg zijn van een worminfectie.
Ook een oorzaak is het verstopt raken van de vetklier, die op de stuit zit. Het losmaken van de vetklier door deze te masseren kan het probleem oplossen.
Lek worden wordt ook veroorzaakt door het ontbreken van voldoende schoon water.
Een verminderd weerstandsvermogen (soms door te sterke inteelt) kan ook een oorzaak zijn van lek worden.
Parasieten als veermijten beschadigen de veren met lek worden als gevolg. Een behandeling met een antiparasitair middel lost dat probleem op.
De vetklier kan ook ontstoken zijn, opgezwollen en rood van kleur. In dit geval wordt een dierenarts ingeschakeld.

Nazorg en herintroductie van het genezen dier
Knapt het zieke dier weer op, dan kan het weer terug geplaatst worden.
Is het dier toch nog verzwakt, dan moet goed in de gaten worden gehouden of het dier weer wordt geaccepteerd. Is dat niet het geval, dan moet het dier nog aansterken en wordt het terugplaatsen later nog eens geprobeerd.

Als behandeling niet helpt
Helpt geen enkele behandeling, dan is het aan te raden het dier uit zijn lijden te verlossen. Kan men dit zelf niet doen, dan is de dierenarts de aangewezen persoon.

Voeding en verzorging

Intro
Zonder goede voeding en verzorging geen gezonde dieren. Deze regel geldt altijd en overal.
Er is een grote verscheidenheid in watervogels en dus ook de voedingsbehoeften.
Bij de meest gehouden eenden en ganzen komen geen grote verschillen in voedingsbehoeften voor.
Dit hoofdstuk beschrijft kort de voeding en verzorging van watervogels.


Peposacaeenden

Voeding voor volwassen dieren
Watervogels zijn over het algemeen gemakkelijke eters.
De diervoederindustrie levert goede voeders voor watervogels. Volwassen dieren krijgen tot ongeveer een maand voordat de leg begint onderhoudskorrels, aangevuld met speciaal watervogel- of eendengraan als bijvoedering.
De samenstelling van de onderhoudskorrel is afgestemd op de soort. Gedomesticeerde watervogels met een behoorlijke leg hebben andere voedingsbehoeften dan duik- en zaagbekeenden, die visrijk voedsel nodig hebben.
De voederindustrie levert deze verschillende korrels.

Ruim een maand voor het begin van het voortplantingsseizoen wordt het onderhoudsvoer vervangen door foktoomvoer met extra calcium voor een goede bevruchting en een goede eisamenstelling.
Belangrijk is dat de dieren niet te vet worden. Te vette dieren leggen niet alleen minder eieren, maar het bevruchtingspercentage is ook lager. Door ervaring leert de fokker hoeveel gevoerd kan worden.
Naast dit foktoomvoer hebben veel soorten en rassen (en dan vooral ganzen) behoefte aan groenvoer. In de winterperiode is er niet veel gras beschikbaar. Bijvoeren van groen in de vorm van boerenkool, witlofschillen en winterwortelen gaat prima.
Zodra er meer gras beschikbaar is, neemt de behoefte aan ander groenvoer af.
Jong mals gras heeft een positieve uitwerking op het broedresultaat.
Eenden eten meestal minder groen dan ganzen en dit geldt vooral voor de oorspronkelijke eendensoorten.
Een uitzondering zijn Smienten die wel graag veel gras eten.
Kunnen de dieren de groei van het gras niet bijhouden, dan moet regelmatig het gras gemaaid worden. Vooral ganzen hebben een hekel aan lang gras.
Door de grasmachine af te stellen op ongeveer een hoogte van 4 cm krijgen de dieren precies wat ze nodig hebben.

Voeding voor jonge dieren
Ganzenkuikens eten veel en graag gras. Daarnaast wordt opfokvoer I gevoerd.
Het is onvermijdelijk dat de ouderdieren met de jongen mee-eten uit dezelfde voerbak. Voor eenden geldt hetzelfde, behalve dat jonge eenden minder gras eten dan jonge ganzen.
Na verloop van ruim zes weken - de juiste periode staat op de voerzak - wordt overgeschakeld op opfokvoer II en vervolgens na verloop van tijd op onderhoudsvoer.
Volg ook hierbij de instructie op de voederzak.
Naast deze voeders wordt ook nog graan bijgevoerd.
Natuurlijk ontbreekt het de jonge dieren niet aan schoon drink-, zwem- en badwater.


Cackling canadaganzen met kuikens

Voederbakken
Voor voerbakaken zijn geen harde richtlijnen te geven. Ze zijn er in veel soorten en maten. Belangrijk is dat de voerbakken voldoende bodemoppervlak hebben en niet omvallen als de ouderdieren op de rand gaan staan.
Voor volwassen dieren zijn trapbakken geschikt. Bij deze voerbakken moeten de dieren op een trede staan waardoor de klep van de voerklep opengaat. Deze bakken worden gebruikt om te voorkomen dat vogels van dit dure voer mee-eten.
Zorg dat er voldoende voerbakken zijn om te voorkomen dat dominante dieren anderen belemmeren om voldoende te eten.

Drinkbakken
Het zwemwater doet ook dienst als drinkwater. Daarom moet het zwemwater altijd schoon zijn. Aparte drinkbakken zijn niet nodig omdat watervogels er geen gebruik van maken als ze zwemwater ter beschikking hebben.

Maagkiezel
Maagkiezel is onmisbaar voor watervogels en moet altijd beschikbaar zijn. Zoals bij alle vogels werken kiezels als molensteentjes. Ze zorgen voor een betere vertering van het voer en verhogen de gezondheid.

Omgaan met dieren
Goed omgaan met dieren is net zo nodig als het verzorgen van de dieren en voer en water geven.
Het omgaan met de dieren is misschien wel het mooiste wat er is.
Watervogels lenen zich niet als troeteldier, hoewel kuikens die volledig afhankelijk van mensen zijn geweest, zich tot hun verzorger aangetrokken voelen.
Van ras tot ras, van soort tot soort verschilt het karakter.
Sommige oorspronkelijke watervogelsoorten gedragen zich veel aanhankelijker dan sommige gedomesticeerde rassen. Voorbeelden geven van rassen en soorten die gemakkelijk of juist moeilijk in de omgang zijn is niet mogelijk, omdat dit nogal kan verschillen.
Om de dieren vertrouwd met de verzorger te maken is een normale, rustige omgang nodig. Dieren die zich gemakkelijk kunnen verstoppen onder beplanting raken minder snel vertrouwd met de verzorger dan dieren die zich niet kunnen verstoppen.
De schrik van elke watervogel is het schepnet. Het gebruik van een schepnet voor het vangen van de dieren moet voorzichtig gebeuren.
Is er een andere mogelijkheid, dan moet die gebruikt worden.

Watervogelvoer
Er is een enorm grote verscheidenheid in watervogels. Daarmee verschillen ook de voedingsbehoeften tussen de soorten watervogels enorm.
De meest gangbare eenden en ganzen bij hobbyisten kennen geen grote verschillen in voedingsbehoeften. Vooral voor watervogels die in de natuur vis eten zoals zee-eenden en duikeenden liggen de voederbehoeften nogal wat anders.

Water
Voor watervogels doet het vijverwater vaak ook dienst als drinkwater. De zuiverheid van het water is zeker om deze reden een enorm belangrijk punt. Vuil vijverwater heeft daarmee niet alleen op de uiterlijke factoren van watervogels invloed, maar zeker ook op de innerlijke.
Wanneer de kwaliteit van het vijverwater niet voldoende is of de verversingsgraad te gering is, dan is het apart verstrekken van vers schoon drinkwater absoluut nodig. Een schone vijver is natuurlijk veel beter. Water is voor alle organen in het lichaam van belang om goed te kunnen functioneren. De kwaliteit van het water beïnvloedt de kwaliteit van de dieren dan ook sterk.

Voerplaats en voerwijze
De meeste eenden en ganzen zijn prima op land te voeren. Korrels kunnen in een platte bak of in een voederautomaat worden verstrekt. Als de korrels vochtig kunnen worden, is het advies het voeder twee maal per dag vers te verstrekken.
Wordt het voer als brij gevoerd, dan is het zeker van belang dat de voederbak snel leeg is. Voederresten kunnen snel beschimmeld raken, zeker onder vochtige omstandigheden.
Houdt bij een vijver met meerdere soorten watervogels rekening met de dominantie van bepaalde soorten. Alle dieren moeten voldoende de kans krijgen om in alle rust te kunnen eten. Maak zonodig meerdere voederplaatsen.

Voersoorten
Voor de gangbare eenden en ganzen kunnen we het aanbod voeders onderverdelen in onderhoudsvoer, foktoomvoer, opfokvoer en graan.
Onderhoudsvoer voor watervogels levert de bouwstoffen voor onderhoud van het lichaam. Een eend of gans heeft ten opzichte van een kip veel meer veren waardoor de eiwitfractie in watervogelvoer gemiddeld wat hoger ligt en anders is opgebouwd dan in kippenvoer. Onderhoudsvoer voor kippen is vaak veel rijker aan calcium dan onderhoudsvoer voor watervogels. Bij watervogels beperkt zich de leg tot het broedseizoen, terwijl veel kippenrassen meer en langer eieren leggen.
Te veel calcium is voor watervogels buiten de legperiode niet gewenst.
Foktoomvoer bevat wel een hogere dosering calcium en is gericht op een goede bevruchting en een goede eisamenstelling.
Ten opzichte van foktoomvoeders voor kippen kan het doorgaans later ingezet worden om het gewenste resultaat te bereiken. Wanneer foktoomvoer bij eenden en ganzen ca. een week of vijf voor het rapen van de eieren wordt gegeven, dan wordt het gewenste resultaat bereikt.
Opfokvoer voor watervogels is vaak fijner en daardoor ideaal voor de kleinere snavels van de kuikens. De samenstelling is rijk aan bouwstoffen voor een gelijkmatige groei van de kuikens. Ook hier geldt dat het ten opzichte van kippen minder lang igevoerd hoeft te worden. Er kan eerder op goed onderhoudsvoer worden overgestapt, mits de watervogels in de uitloop ook gras, wormen en dergelijke kunnen vinden. Bij bepaalde rassen kan te lang doorvoeren van opfokvoeder leiden tot beenderproblemen.

Lekke bevedering
Een lekke bevedering is bij nogal wat eendenliefhebbers een veelbesproken thema.
Een eend heeft ten opzichte van kippen veel meer veren en de vederstructuur behoort dicht, isolerend en waterafstotend te zijn. Een perfect verendek is de voorwaarde voor gezonde watervogels.
Goed watervogelvoer moet watervogels de bouwstoffen bieden om een perfect verenpakket met een goede structuur te kunnen ontwikkelen. Goed watervogelvoer heeft extra zwavelhoudende aminozuren en de juiste vetzuren.
De zwavelhoudende aminozuren zorgen voor sterke veren met een goede structuur.
De juiste vetzuren zorgen ervoor dat de watervogels de mogelijkheid hebben om als het ware een vet-filmpje over de bevedering te leggen waardoor de bevedering waterafstotend en isolerend is.
Kippenvoer is hier niet op afgestemd en daardoor niet geschikt.
Bij een te schrale voeding kan een watervogel het verenkleed niet kunnen onderhouden. Het is daarom van belang om jaarrond volledig watervogelvoer (bij) te voeren.

Maagkiezel
Maagkiezel is onmisbaar voor watervogels. Maagkiezels zijn de molensteentjes in de krop van de dieren. Ze zorgen voor een betere vertering van het voer en een beter welzijn van het dier. De dieren moeten daarom altijd scherpe maagkiezel beschikbaar hebben.

Granen
Watervogelgraan of eendengraan verschilt van kippengraan door de afwezigheid van scherpe producten zoals gerst en haver en door de aanwezigheid van bijvoorbeeld milletzaad.
Speciaal eendengraan is niet te grof en wordt daardoor makkelijk opgenomen.
Granen kunnen onder het wateroppervlak in bakjes gevoerd worden. Hierdoor is het eenvoudig door de dieren op te nemen en krijgen buitenvogels en ongedierte geen kans.
Eendengraan moeten we beschouwen als bijvoedering. Om topresultaten te verkrijgen kan het nooit als hoofdvoer dienen.

Huisvesting

Intro
Alle dieren hebben een goede huisvesting nodig. Het voordeel van watervogels is dat zij nauwelijks een hok nodig hebben.
Watervogels van het Noordelijk halfrond kunnen beter tegen koude dan tegen hitte. Voor dieren afkomstig van het Zuidelijk halfrond moeten bij strenge vorst voorzorgsmaatregelen genomen worden.
Maar bij de huisvesting van watervogels hoort wel water en enige loopruimte en dat is ook niet altijd gemakkelijk te realiseren.
Dit hoofdstuk geeft richtlijnen voor de huisvesting van watervogels.


Een prachtige waterpartij voor het houden van watervogels

Hokken en rennen
Watervogels zijn echte natuurdieren en stellen geen hoge eisen aan de huisvesting.
Een echt hok hebben ze niet nodig. Een laag bouwsel met drie zijwanden en een eenvoudig dak is bij zeer slecht weer al voldoende. De open zijde moet dan van de wind afstaan.
Bij zeer strenge vorst kan het nodig zijn de dieren in een hok of schuur, voorzien van een dikke laag droog strooisel, onder te brengen.
Ook zijn er soorten oorspronkelijke watervogels die vanuit hun natuurlijke biotoop niet in staat zijn hun poten vorstvrij te houden. Zij hebben altijd blijvend (ook bij strenge vorst) open water en/of een droog hok met dik strooisel nodig om bevriezing te voorkomen.

Alle watervogels hebben voldoende schoon zwemwater nodig dat ook regelmatig wordt ververst. Dit kunnen vijvers in verschillende maten en vormen zijn of een sloot, vooral als deze goed doorstroomt.
Om te voorkomen dat de dieren verdwijnen wordt de sloot met gaas afgezet. Een gazen afrastering is prima, maar moet wel in de slootbodem ingegraven worden. Voordat men dit gaat maken is het nodig contact op te nemen met het Waterschap. Er zijn regels en soms is een vergunning nodig.
Voor het aanleggen van kleine vijverpartijen op eigen terrein is geen vergunning nodig.

Er zijn kant en klare kunststoffen vijvers in alle soorten en maten in de handel te koop. Deze zijn sterk, vriezen niet stuk en zijn eventueel ook nog verplaatsbaar. Betonnen vijvers zijn eventueel zelf te maken. Goedkoper en gemakkelijker is speciale vijverfolie die bestand is tegen scherpe stenen en boomwortels. De vijver moet goed waterdicht zijn, anders zakt het waterpeil tot de hoogte van het grondwater en dat is te laag voor de vijver.


Helemaal dichtgevroren: dit mag voor de watervogels niet te lang duren

De vijver moet ook voorzien zijn van walbeschoeiing omdat watervogels altijd in de walkanten wroeten. Hiervoor moet duurzaam materiaal gebruikt worden, zoals hardhout, glasvezelbetonplaten of ander waterbestendig en sterk materiaal.

De minimale diepte van de vijver is voor zwanen 80 cm, voor zee- en duikeenden 60 cm en voor de overige ganzen en eenden 35 cm.
Voor een paartje eenden of talingen is 2 m2 vijver en een ruimte met gras van ca 5 m2 voldoende.
Dit betekent niet dat op het dubbele oppervlak 2 paartjes passen. Dat hangt af van de soort watervogels en hun gedrag.

Ganzen hebben meer ruimte nodig. Eén paar ganzen heeft een vijver van ongeveer 2 bij 2 meter nodig, maar het grasveld moet minstens 100 tot 200 m2 groot zijn. Als de ganzen het gras ‘s zomers te kort houden, zijn er teveel dieren of is te weinig ruimte.
Zwanen zijn echte zwemmers en slechte lopers. Een mooie ruime vijver van 25 tot 50 m2 is onontbeerlijk. Gras en andere langere vegetatie rondom de vijver lusten ze graag. 100 tot 200 m2 grasveld is zeker nodig.

Strenge vorst betekent extra werk voor de watervogelhouder. Wordt het water in de vijvers gepompt, dan zorgt de temperatuur van het water en de stroming er voor dat het water niet zo snel bevriest. Het inblazen van lucht door een luchtpomp (compressor) voorkomt ook dat het water bevriest.
Is dit niet mogelijk, dan wordt minimaal twee maal per dag een bak water gegeven. Bij strenge vorst bevriest dit water ook, maar de dieren hebben de gelegenheid te drinken en een kort bad te nemen.
Wordt er een wak gemaakt in het ijs, dan is een schuine plank met dwarslatten of een jute zak nodig om de dieren uit te water te laten komen.
’s Zomers kan het water in de vijver te warm worden en dat is ook riskant. Een continue toestroom van vers water houdt het water koel en vermindert de kans op ziekten (denk aan botulisme).

Kleinere soorten watervogels kunnen ook in een volière worden gehouden. Deze volière kan in vele vormen en maten gemaakt worden. Om ideeën op te doen is het zinvol bij watervogelliefhebbers te kijken.
Door het houten of stalen raamwerk te bespannen met een op maat te bestellen net van nylon is een mooie volière te maken. Een vrij kleine maaswijdte van het nylon net (bv. ± 20 mm) voorkomt onder andere dat kleine vogels binnen kunnen komen en veel voer gaan opeten. Een goed net weert ook roofdieren. Alleen in gebieden, waar men 's nachts grotere roofdieren, zoals vossen en marters, kan verwachten is het nodig de dieren ‘s avonds op te sluiten en ‘s morgens weer vrij te laten. Een alternatief is de hokken en rennen roofdierbestendig te maken.
Regelmatige controle van het net of de afrastering op schade is nodig.
De keuze voor de grootte van een volière is afhankelijk van de beschikbare ruimte.
Een volière met een waterpartij, geschikte beplanting en passende watervogels is een sieraad in de tuin.


Watervogels voelen zich hier prima thuis

Als de dieren op een open terrein worden gehouden en de keuze is op meer rassen of soorten gevallen zijn er afscheidingen nodig.
Als afrastering is dik geplastificeerd gaas geschikt met een maaswijdte van maximaal 5x5 cm en 180 cm boven de grond en 20 cm in de grond om roofdieren zoals de vos tegen te houden.
Een stevig gazen hekwerk is uitstekend, maar een dicht gedeelte is gewenst om tijdens de broedperiode voor de nodige rust te zorgen. Ook hier zijn veel mogelijkheden.
De afrastering moet zo hoog zijn dat de dieren niet kunnen ontsnappen.
Leewieken of het knippen van vleugelpennen voorkomt dat de dieren wegvliegen.
De aankleding met passende beplanting is niet alleen mooi, maar geeft ook afscherming en rust voor de dieren.
Wil men jonge dieren fokken en de ouderdieren de kuikens laten grootbrengen, dan moet fijnmazig gaas of een plank van ruim 25 cm hoogte voor een deel in de grond worden ingegraven tegen de afrastering aan. Kleine kuikens kunnen dan niet uit de ren ontsnappen. Let op, er zijn soorten eenden waarvan de kuikens met gemak 50 cm omhoog klimmen.

Welstandseisen
Soms is voor het bouwen van een hok een bouwvergunning nodig. Kleine hokken kunnen zonder vergunning geplaatst worden. Het bouwen van grote hokken en volières is aan regels gebonden.
Volgens de eisen van het ministerie van VROM van 1 januari 2003 is geen vergunning nodig als het hok:
1. gebouwd wordt bij een bestaande woning en het niet vanuit die woning direct te betreden is
2. op de grond gebouwd wordt, dus niet op een ander bouwwerk
3. maar uit één bouwlaag bestaat
4. bijdraagt tot het woongenot, dus niet voor professioneel gebruik
5. niet groter dan 10 m2 is en ten hoogte 3 meter hoog.

Wordt aan deze voorwaarden voldaan dan bepalen de volgende voorwaarden of de situatie licht vergunningsplichtig is:
6. het huis waarbij het hok gebouwd wordt is een rijksmonument
7. er wordt gebouwd bij een stacaravan of een andere niet permanente bewoning
8. het hok wordt gebouwd dichter dan 1 m aangrenzend aan openbaar groen of voorerf
9. het hok is groter dan 10 m2 en staat dichter dan 1 m vanaf de grens met de buren
10. het totaal van de vergunningsvrije gebouwen is 30 m2 of het beslaat, inclusief de andere bijgebouwen, meer dan 50% van de tuin.

Wordt niet voldaan aan de punten 1 t/m 4, dan moet een bouwvergunning aangevraagd worden. Deze vergunning is ook nodig als het hok groter is dan 50 m2 of hoger dan 5 meter.
Verder moet het hok te allen tijde een passend bouwwerk zijn dat geen aanstoot geeft.


Zelfs in een kleine tuin wordt een paradijs gemaakt voor watervogels

Kosten: kopen of zelf maken
Volières zijn zelf te maken. Kijken bij collega-fokkers geeft veel informatie over materialen, grootte en inrichting. Er zijn ook bedrijven die volières en hokken aanbieden en eventueel ook nog plaatsen. De kosten kunnen sterk variëren.
Het maken van een volledig ingerichte behuizing voor watervogels kost, afhankelijk van het aantal te houden rassen en soorten, veel tijd en geld.
Handige doe-het-zelvers kunnen veel geld besparen, maar te veel besparing op kwaliteit van het materiaal geeft later problemen.
Informatie over huisvesting van watervogels en leveranciers is te vinden op internet.