Fokken

Intro
Bij veel dierenliefhebbers ontstaat na verloop van tijd ook de wens om jonge dieren te gaan fokken. Niets is zo mooi als ouderdieren met jongen. Het is een geweldige ervaring om jonge dieren geboren te zien worden en daarna het opgroeien dagelijks te volgen. Er is echter ook een ‘maar’ aan verbonden. Er is wel kennis voor nodig. Wil men bovendien jonge dieren fokken die zoveel mogelijk het ideale beeld benaderen dan vraagt dat ook weer extra kennis.

Keuze van fokdieren
Het fokken begint bij de selectie (keuze) van de ouderdieren. Zij moeten kerngezond, vitaal en een actief gedrag vertonen. Een tweede belangrijk criterium is de juiste lichaamsvorm, het type en het volume. Verder is vooral de veerconditie, de veerbreedte, de kleur en tekening, de oogkleur en de beenkleur belangrijk. Op al deze punten moeten de fokdieren de specifieke soort- of raseigenschappen zo dicht mogelijk benaderen. Al deze eigenschappen zijn in de KLN-standaard beschreven. Het voordeel van siervogels is dat er veel minder afwijkingen van het natuurlijke uiterlijk voorkomen dan bijvoorbeeld bij hoenders en dwerghoenders het geval is. Uiteraard op voorwaarde dat de dieren raszuiver zijn gehouden. Vitaliteit van de ouderdieren is ook belangrijk. De dieren moeten zich actief gedragen en voldoende eieren produceren zoals bij de betreffende soort of ras normaal is. Maar ook als alleen gefokt wordt om een paar jonge dieren erbij te hebben, is het nodig dezelfde selectiecriteria te gebruiken. Anders verliezen de dieren in de loop van de tijd hun raseigenschappen. Geen enkel dier is volmaakt, maar dieren met dezelfde tekortkomingen mogen nooit aan elkaar gepaard worden. Daarmee worden de fouten in de stam vastgelegd.

Bevruchting
Tijdens het paren (ook wel het treden genoemd) wordt het sperma met de zaadcellen overgebracht in de eileider van de hen. De zaadcellen bewegen zich omhoog door de eileider. Eén zaadcel bevrucht uiteindelijk de eicel op de dooier voordat het ei in de eileider verder wordt afgebouwd met eiwit, vliezen en de kalkschaal tot een compleet ei. De meeste fokkers hebben bij een haan maar één of enkele hennen. Op deze manier wordt precies bijgehouden welke combinatie het best vererft en de beste jonge dieren oplevert.

Bewaren van broedeieren
Succesvol fokken kan alleen als de kwaliteit van de broedeieren goed is. Ze mogen niet bevuild zijn en geen afwijkende vorm hebben. Ook de eierschaal moet onbeschadigd zijn. Eieren die bevroren zijn geweest zijn slechte broedeieren. Broedeieren worden op een koele, enigszins vochtige plaats bewaard. Een kelder is een ideale plaats met een bewaartemperatuur van ongeveer 10º C. Broedeieren worden niet langer dan veertien dagen bewaard. Daarna neemt de kiemkracht van het ei sterk af. Voor sommige fazantensoorten is dit echter al te lang. Zij leggen per legsel maar twee eieren en soms maar één. Deze eieren moeten zo snel mogelijk bebroed worden. De beste bewaarmethode van broedeieren is in een eierrekje met de spitse punt naar beneden. Om te voorkomen dat het kleine embryo vast gaat kleven aan de eischaal wordt het rek met de eieren onder een hoek van 45 graden gezet (met hulp van een blokje hout). Een gemakkelijke manier van keren van de eieren is minimaal twee maal per dag het rek te kantelen door de andere kant van het rekje op het blokje te plaatsen. Eieren van duiven worden niet geraapt en bewaard en ook niet in de broedmachine uitgebroed, omdat de jonge duiven de eerste tijd gevoerd moeten worden met krop- of duivenmelk. Duiven leggen met een tussenperiode van meestal twee dagen twee eieren en deze worden zowel door de duivin als de doffer bebroed.

Eieren van Japanse kwartels

Broeden en uitkomen van de eieren
Een kloek met kuikens is prachtig. Wil men deze natuurlijke weg bewandelen dan worden de eieren niet geraapt. Als het goed is legt de hen er elke dag een ei bij. Zodra de hen broeds wordt stopt de leg van eieren en blijft de hen op het nest zitten. Het lijkt allemaal erg eenvoudig, maar het wil ook nog wel eens verkeerd aflopen. Kalkoenen en pauwen broeden zelf prima en verzorgen de kuikens ook goed. Bij de overige siervogels is er een aantal soorten dat goed broedt, maar ook die dat niet doet. Worden de eieren op de natuurlijke manier bebroed, dan regelen de dieren alles zelf. Voor grote aantallen eieren is een broedmachine een goed alternatief. Bij kunstmatig broeden moeten de eieren wel tweemaal per dag gekeerd worden. Dit kan handmatig gebeuren maar veel machines hebben een automatische keerinrichting. De gebruiksaanwijzing bij de broedmachine geeft veel informatie over het gebruik van de machine, de juiste temperatuur en juiste vochtigheid. Belangrijk is dat een broedei wel wat te koud mag worden maar nooit te warm. Het percentage vochtigheid is geen absolute waarde. De luchtvochtigheid in de broedmachine moet ongeveer 45-50% bedragen. Als de eieren in de broedmachine uitkomen, is er geen kloek om de kuikens te verzorgen. Een kunstmoeder neemt deze taak over. Een kunstmoeder is een tochtvrije ruimte met een verwarmingslamp of een warmteplaat. De warmtelamp moet een donkerstraler zijn. De kuikens groeien dan op met een natuurlijk dag- en nachtritme.

Lekker warm in de kunstmoeder

Opfokken van jonge dieren
Kuikens die natuurlijk zijn uitgebroed worden verzorgd door de hen. Zij houdt de kuikens warm en beschermt ze. Zodra de kuikens de warmte van de hen niet meer nodig hebben worden ze in een ander hok geplaatst. Kuikens die uitgebroed worden in een broedmachine vragen meer aandacht van de verzorger. De bodem van het kuikenverblijf wordt bedekt met een dikke laag fijn zaagsel. De temperatuur onder de warmtebron moet ongeveer 36º C zijn en wordt na de eerste week in ongeveer zeven tot acht weken terug gebracht tot een normale omgevingstemperatuur. De kuikens geven zelf aan of de temperatuur te hoog of te laag is. Als de kuikens zich onder de warmtebron verdringen is het te koud en wordt de warmtebron iets lager gehangen. Willen de kuikens er niet onder liggen, dan is het er te warm. Geef de kuikens, tot ze goed in de veren zitten, niet te veel licht. Dat voorkomt het hinderlijke pikken van elkaars veren. Voldoende frisse lucht is wel belangrijk, evenals voldoende ruimte voor de opgroeiende kuikens. Te veel dieren in een kleine ruimte geeft problemen. Voor goede resultaten zijn de drie R’s belangrijk: Rust, Reinheid en Regelmaat.
Bij duiven worden rond de zeventiende dag van het broedproces de eieren aangepikt. Het jong heeft dan nog enige tijd nodig om helemaal uit het ei te kruipen en ligt dan nat en hulpeloos in het nest.
Na vier dagen openen zij de ogen, met tien dagen krijgen zij over het hele lichaam al veerstoppels. Met drie weken hebben zij al een volledig verenpak. Dan zijn het ook al echte duifjes. Zodra de jongen hun ouders niet meer nodig hebben worden ze geplaatst in een eigen hok. Het is wel even opletten of alles goed gaat. Vooral bij jonge duiven komt het nog wel eens voor dat het voer wel gevonden wordt, maar het water niet. Een keer met de snavel in de drinkbak drukken is voldoende. Daarna weten ze de waterbak wel te vinden.

De jonge lachduif is net uit het ei

Ringen
Een voorwaarde voor het insturen van dieren naar een tentoonstelling is dat ze een vaste pootring hebben. Vast betekent dat deze ring bij volwassen dieren niet van de poot afgeschoven kan worden. Deze ring wordt uitgegeven door KLN. De grootte van het ras bepaalt welke ringmaat wordt gebruikt. KLN heeft een ringenlijst met de juiste ringmaat voor elk soort of ras. De ringen moeten op tijd worden besteld omdat de jonge dieren snel groeien. Wordt te vroeg geringd, dan verliezen de dieren de ringen weer. Wordt te laat geprobeerd te ringen, dan zijn de poten te dik en lukt het niet meer. Het juiste tijdstip voor het ringen leert men door ondervinding. Het is daarom goed om bij collega fokkers te informeren. Omdat de broedresultaten niet zo goed te voorspellen zijn kan men beter ringen bestellen als de kuikens een paar dagen oud zijn. Op de ring staan de letters van de uitgevende organisatie (voor KLN is dat: NL-H) met daarbij de diameter van de ring, het jaartal en een volgnummer. Elk jaar krijgen de ringen een andere kleur. De plaatselijke kleindierverening helpt de fokker of liefhebber met het ringen als dat nodig is.

Continu selecteren tijdens opfok
Fokken betekent ook selecteren. Jonge dieren worden regelmatig op hun ontwikkeling gecontroleerd. Jonge dieren die niet gelijkmatig opgroeien en/of afwijkingen vertonen aan vooral poten, vleugels, kop en ogen worden nooit perfecte vertegenwoordigers van het ras. Deze dieren moeten niet aangehouden worden. De ontwikkeling per jong wordt bijgehouden via het ringnummer. Door alleen de beste dieren te houden blijft het ras zuiver en vitaal en met de juiste raskenmerken.