Showen

Intro
Fokkers willen graag hun fokresultaat aan andere fokkers en liefhebbers tonen en tegelijkertijd in competitie strijden om te zien wie de beste dieren heeft. De meeste soorten siervogels worden echter niet in grote getale op kleindierententoonstellingen getoond. De stressgevoelig bij deze dieren speelt hierbij een rol. Overal in het land worden in de maanden september tot en met januari kleindierententoonstellingen georganiseerd. Voor een overzicht van de kleindierententoonstellingen in Nederland, klik hier. In vogelvlucht wordt beschreven wat er allemaal gebeurt voor, tijdens en na een kleindierententoonstelling.

Overzicht van een kleindierententoonstelling

Selecteren en huisvesten van showdieren
Een showdier is een dier dat het standaardideaal dicht benadert en alle kenmerken toont van een vitaal dier. De inzender moet dus op de hoogte zijn van de eisen die aan zijn dieren worden gesteld. De praktijk is dat er weinig siervogels speciaal voor de show worden gehouden. Pauwen en zeker pauwhanen worden bijna nooit op tentoonstellingen getoond. Fazanten worden wel ingezonden maar meestal paarsgewijze in de tentoonstellingskooi geplaatst. Oorspronkelijke duiven komen nog niet in grote getale op tentoonstellingen. Ze worden ook nog niet zoveel gefokt als bijvoorbeeld de lachduiven, maar het aantal wordt groter. Patrijzen zien we regelmatig en kwartels worden al vaak in grote aantallen op tentoonstellingen getoond. Kalkoenen, parelhoenders en fazanten worden geselecteerd op uiterlijke kenmerken en op de manier waarop ze zich gedragen. Zeer zenuwachtige of onrustige dieren kunnen beter thuis blijven. De dieren die naar een tentoonstelling gaan worden enkele dagen voor de tentoonstelling apart in een hok met een flinke laag stro geplaatst om ze zo schoon mogelijk te houden.

Conditioneren en toiletteren
Siervogels worden in tegenstelling tot hoenders niet gewassen, zij laten als afweer bij een aanval van roofdieren direct hun veren los en dat doen ze ook bij een wasbeurt. Zelfs als deze dieren met natte handen worden vastgepakt heeft al verlies van veren tot gevolg. Aan deze vogels valt dus weinig te conditioneren. De poten worden wel gewassen en met vaseline ingewreven. Met de kopversierselen wordt dit ook wel gedaan. Dieren die erg droog hebben gezeten krijgen soms gekrulde veren. Met een bloemenspuit worden ze nat gespoten. Hierdoor gaat het verenpak wat strakker zitten. Dieren die naar een tentoonstelling gaan kunnen van te voren thuis in kooien worden getraind. Het trainen moet wel voorzichtig gebeuren om te voorkomen dat de dieren hun verenkleed beschadigen. Bovendien moeten ze weer een keer extra in de hand genomen worden. Aan de andere kant, door het vaker maar wel voorzichtig hanteren van de dieren worden ze ook tammer. Het ligt ook een beetje aan het gevoel van de fokker om te beoordelen of de dieren vooraf getraind worden of niet.

Europese patrijs

Verzendmateriaal
Als het tijdstip is aangebroken om de dieren naar de tentoonstelling te brengen, worden de snavel en de poten schoon gemaakt voordat ze in de verzendkist worden geplaatst. Het beste is elk dier apart in een verzendkist te plaatsen. Op de kist wordt het etiket geplakt van de organiserende tentoonstellingsorganisatie. Op dit etiket wordt het ringnummer geschreven, zodat gecontroleerd kan worden of het juiste dier in de juiste kooi wordt geplaatst.

Papierwinkel
Inschrijven voor een tentoonstelling verloopt volgens de procedure die beschreven is in het vraagprogramma van die tentoonstelling. Dit vraagprogramma kan worden aangevraagd bij de betreffende tentoonstellingssecretaris en vaak ook via internet. In het vraagprogramma is alle informatie opgenomen over de tentoonstelling. Is hierbij hulp nodig, ga dan naar een ervaren fokker van een plaatselijke kleindiervereniging. De tentoonstellingsorganisatie stuurt de inzender kort voor de tentoonstelling de inschrijfbevestiging met de kooinummers van elk ingeschreven dier. Siervogels (m.u.v. duiven) die naar een tentoonstelling worden gebracht moeten verplicht zijn ingeënt tegen pseudo vogelpest. Bij het enten ontvangt de fokker een entbewijs. Bij het inkooien is de inzender verplicht een kopie van het entbewijs af te geven aan de tentoonstellingsorganisatie. Dat entbewijs geldt ook als vervoersvergunning.

Dieren inkooien
Inkooien is het brengen van de ingeschreven dieren naar de tentoonstelling en het plaatsen van de dieren in de aangewezen kooien. De meeste fokkers brengen zelf of met enkele personen samen de dieren naar de tentoonstelling. De grote (nationale) tentoonstellingen verzorgen vervoerslijnen door heel Nederland. Dit vervoer is veel goedkoper dan zelf de dieren wegbrengen en ophalen. In de vraagprogramma's van deze grote tentoonstellingen zijn de vervoerslijnen beschreven, inclusief de voorwaarden om mee te doen. De inzender of de vervoerder plaatst de dieren in de kooien. Gelijktijdig worden nog even wat slordige veren en staarten als gevolg van het transport rechtgestreken. Het ringnummers van elk ingekooid dier wordt door de inzender op de achtergrondkaart geschreven die al bij de kooi hangt. Op deze kaart wordt na de keuring de beoordelingskaart van het dier bevestigd. De lege transportkist wordt onder de kooien geplaatst.

Speciale kooien met kleine siervogels. De beoordelingskaarten hangen aan de kooien

Keuringen en keurresultaten
Meestal zijn alleen tentoonstellingsmedewerkers, keurmeesters, helpers en schrijvers tijdens de keuring van de dieren aanwezig. In het vraagprogramma staat vermeld welke keurmeester de dieren keurt. De keurmeester keurt de dieren volgens vaste regels en volgens de vastgestelde standaardbeschrijving.
De beoordelingskaart wordt aan de kooi gehangen, zodat iedereen de beoordeling van elk dier kan lezen. De inzender kan de beoordelingskaarten opvragen om mee te nemen. De keurmeester gebruikt de onderstaande predikaten bij de beoordeling met daarbij genoemd de te behalen punten per predikaat:
• DIS is Diskwalificatie en 0 punten; het dier is uitgesloten door een fout van de fokker
• is Onvoldoende en 0 punten; de laagste beoordeling voor een dier met een ernstige fout
• V is Voldoende en 90 punten; het dier beantwoordt nog net aan de standaardbeschrijving
• G is Goed en 91 en 92 punten; het dier is een matige tot goede vertegenwoordiger van het ras
• ZG is Zeer Goed en 93, 94 of 95 punten; de punten geven aan dat het om een krappe, een gemiddelde en een royale ZG gaat, waarbij de laatste een hele mooie vertegenwoordiger van het ras is
• F is Fraai en 96 punten; het dier en vooral ook het type (vorm) is beoordeeld als fraai, dus in totaal een fraai exemplaar
• U is Uitmuntend en 97 punten; dit dier benadert op alle onderdelen het ideaalbeeld.

Prijzen
Het toekennen van de verschillende prijzen, zoals beschreven in het vraagprogramma, volgt als alle dieren gekeurd zijn. De gewonnen prijzen worden in een aparte lijst in de catalogus opgenomen in volgorde van prijsnummer. De inzender ontvangt de gewonnen prijzen meestal tijdens de tentoonstelling. Geldprijzen worden soms overgemaakt via de giro- of bankrekening. Veel fokkers vinden het behalen van goede fokresultaten net zo belangrijk als het winnen van prijzen.

Uitkooien
Als de show afgelopen is worden de dieren rustig uit de kooien genomen. Let goed op dat de juiste dieren worden meegenomen en niet per ongeluk een dier van iemand anders. Omdat het nummer van de kooi en het ringnummer op het etiket van de verzendkist staan is controle mogelijk.

Terug in de hokken
Thuis gekomen worden de dieren zo snel mogelijk weer in hun eigen hokken geplaatst. Is het erg koud weer dan is het verstandig de dieren eerst in een schuurtje of het binnenhok los te laten. Pas de dag daarop kunnen de dieren weer naar buiten. Kalkoenen en parelhoenders kunnen bij een groot temperatuursverschil een nacht in de transportkist doorbrengen om te acclimatiseren. Zorg dan wel voor voldoende ventilatie.

Fokken

Intro
Bij veel dierenliefhebbers ontstaat na verloop van tijd ook de wens om jonge dieren te gaan fokken. Niets is zo mooi als ouderdieren met jongen. Het is een geweldige ervaring om jonge dieren geboren te zien worden en daarna het opgroeien dagelijks te volgen. Er is echter ook een ‘maar’ aan verbonden. Er is wel kennis voor nodig. Wil men bovendien jonge dieren fokken die zoveel mogelijk het ideale beeld benaderen dan vraagt dat ook weer extra kennis.

Keuze van fokdieren
Het fokken begint bij de selectie (keuze) van de ouderdieren. Zij moeten kerngezond, vitaal en een actief gedrag vertonen. Een tweede belangrijk criterium is de juiste lichaamsvorm, het type en het volume. Verder is vooral de veerconditie, de veerbreedte, de kleur en tekening, de oogkleur en de beenkleur belangrijk. Op al deze punten moeten de fokdieren de specifieke soort- of raseigenschappen zo dicht mogelijk benaderen. Al deze eigenschappen zijn in de KLN-standaard beschreven. Het voordeel van siervogels is dat er veel minder afwijkingen van het natuurlijke uiterlijk voorkomen dan bijvoorbeeld bij hoenders en dwerghoenders het geval is. Uiteraard op voorwaarde dat de dieren raszuiver zijn gehouden. Vitaliteit van de ouderdieren is ook belangrijk. De dieren moeten zich actief gedragen en voldoende eieren produceren zoals bij de betreffende soort of ras normaal is. Maar ook als alleen gefokt wordt om een paar jonge dieren erbij te hebben, is het nodig dezelfde selectiecriteria te gebruiken. Anders verliezen de dieren in de loop van de tijd hun raseigenschappen. Geen enkel dier is volmaakt, maar dieren met dezelfde tekortkomingen mogen nooit aan elkaar gepaard worden. Daarmee worden de fouten in de stam vastgelegd.

Bevruchting
Tijdens het paren (ook wel het treden genoemd) wordt het sperma met de zaadcellen overgebracht in de eileider van de hen. De zaadcellen bewegen zich omhoog door de eileider. Eén zaadcel bevrucht uiteindelijk de eicel op de dooier voordat het ei in de eileider verder wordt afgebouwd met eiwit, vliezen en de kalkschaal tot een compleet ei. De meeste fokkers hebben bij een haan maar één of enkele hennen. Op deze manier wordt precies bijgehouden welke combinatie het best vererft en de beste jonge dieren oplevert.

Bewaren van broedeieren
Succesvol fokken kan alleen als de kwaliteit van de broedeieren goed is. Ze mogen niet bevuild zijn en geen afwijkende vorm hebben. Ook de eierschaal moet onbeschadigd zijn. Eieren die bevroren zijn geweest zijn slechte broedeieren. Broedeieren worden op een koele, enigszins vochtige plaats bewaard. Een kelder is een ideale plaats met een bewaartemperatuur van ongeveer 10º C. Broedeieren worden niet langer dan veertien dagen bewaard. Daarna neemt de kiemkracht van het ei sterk af. Voor sommige fazantensoorten is dit echter al te lang. Zij leggen per legsel maar twee eieren en soms maar één. Deze eieren moeten zo snel mogelijk bebroed worden. De beste bewaarmethode van broedeieren is in een eierrekje met de spitse punt naar beneden. Om te voorkomen dat het kleine embryo vast gaat kleven aan de eischaal wordt het rek met de eieren onder een hoek van 45 graden gezet (met hulp van een blokje hout). Een gemakkelijke manier van keren van de eieren is minimaal twee maal per dag het rek te kantelen door de andere kant van het rekje op het blokje te plaatsen. Eieren van duiven worden niet geraapt en bewaard en ook niet in de broedmachine uitgebroed, omdat de jonge duiven de eerste tijd gevoerd moeten worden met krop- of duivenmelk. Duiven leggen met een tussenperiode van meestal twee dagen twee eieren en deze worden zowel door de duivin als de doffer bebroed.

Eieren van Japanse kwartels

Broeden en uitkomen van de eieren
Een kloek met kuikens is prachtig. Wil men deze natuurlijke weg bewandelen dan worden de eieren niet geraapt. Als het goed is legt de hen er elke dag een ei bij. Zodra de hen broeds wordt stopt de leg van eieren en blijft de hen op het nest zitten. Het lijkt allemaal erg eenvoudig, maar het wil ook nog wel eens verkeerd aflopen. Kalkoenen en pauwen broeden zelf prima en verzorgen de kuikens ook goed. Bij de overige siervogels is er een aantal soorten dat goed broedt, maar ook die dat niet doet. Worden de eieren op de natuurlijke manier bebroed, dan regelen de dieren alles zelf. Voor grote aantallen eieren is een broedmachine een goed alternatief. Bij kunstmatig broeden moeten de eieren wel tweemaal per dag gekeerd worden. Dit kan handmatig gebeuren maar veel machines hebben een automatische keerinrichting. De gebruiksaanwijzing bij de broedmachine geeft veel informatie over het gebruik van de machine, de juiste temperatuur en juiste vochtigheid. Belangrijk is dat een broedei wel wat te koud mag worden maar nooit te warm. Het percentage vochtigheid is geen absolute waarde. De luchtvochtigheid in de broedmachine moet ongeveer 45-50% bedragen. Als de eieren in de broedmachine uitkomen, is er geen kloek om de kuikens te verzorgen. Een kunstmoeder neemt deze taak over. Een kunstmoeder is een tochtvrije ruimte met een verwarmingslamp of een warmteplaat. De warmtelamp moet een donkerstraler zijn. De kuikens groeien dan op met een natuurlijk dag- en nachtritme.

Lekker warm in de kunstmoeder

Opfokken van jonge dieren
Kuikens die natuurlijk zijn uitgebroed worden verzorgd door de hen. Zij houdt de kuikens warm en beschermt ze. Zodra de kuikens de warmte van de hen niet meer nodig hebben worden ze in een ander hok geplaatst. Kuikens die uitgebroed worden in een broedmachine vragen meer aandacht van de verzorger. De bodem van het kuikenverblijf wordt bedekt met een dikke laag fijn zaagsel. De temperatuur onder de warmtebron moet ongeveer 36º C zijn en wordt na de eerste week in ongeveer zeven tot acht weken terug gebracht tot een normale omgevingstemperatuur. De kuikens geven zelf aan of de temperatuur te hoog of te laag is. Als de kuikens zich onder de warmtebron verdringen is het te koud en wordt de warmtebron iets lager gehangen. Willen de kuikens er niet onder liggen, dan is het er te warm. Geef de kuikens, tot ze goed in de veren zitten, niet te veel licht. Dat voorkomt het hinderlijke pikken van elkaars veren. Voldoende frisse lucht is wel belangrijk, evenals voldoende ruimte voor de opgroeiende kuikens. Te veel dieren in een kleine ruimte geeft problemen. Voor goede resultaten zijn de drie R’s belangrijk: Rust, Reinheid en Regelmaat.
Bij duiven worden rond de zeventiende dag van het broedproces de eieren aangepikt. Het jong heeft dan nog enige tijd nodig om helemaal uit het ei te kruipen en ligt dan nat en hulpeloos in het nest.
Na vier dagen openen zij de ogen, met tien dagen krijgen zij over het hele lichaam al veerstoppels. Met drie weken hebben zij al een volledig verenpak. Dan zijn het ook al echte duifjes. Zodra de jongen hun ouders niet meer nodig hebben worden ze geplaatst in een eigen hok. Het is wel even opletten of alles goed gaat. Vooral bij jonge duiven komt het nog wel eens voor dat het voer wel gevonden wordt, maar het water niet. Een keer met de snavel in de drinkbak drukken is voldoende. Daarna weten ze de waterbak wel te vinden.

De jonge lachduif is net uit het ei

Ringen
Een voorwaarde voor het insturen van dieren naar een tentoonstelling is dat ze een vaste pootring hebben. Vast betekent dat deze ring bij volwassen dieren niet van de poot afgeschoven kan worden. Deze ring wordt uitgegeven door KLN. De grootte van het ras bepaalt welke ringmaat wordt gebruikt. KLN heeft een ringenlijst met de juiste ringmaat voor elk soort of ras. De ringen moeten op tijd worden besteld omdat de jonge dieren snel groeien. Wordt te vroeg geringd, dan verliezen de dieren de ringen weer. Wordt te laat geprobeerd te ringen, dan zijn de poten te dik en lukt het niet meer. Het juiste tijdstip voor het ringen leert men door ondervinding. Het is daarom goed om bij collega fokkers te informeren. Omdat de broedresultaten niet zo goed te voorspellen zijn kan men beter ringen bestellen als de kuikens een paar dagen oud zijn. Op de ring staan de letters van de uitgevende organisatie (voor KLN is dat: NL-H) met daarbij de diameter van de ring, het jaartal en een volgnummer. Elk jaar krijgen de ringen een andere kleur. De plaatselijke kleindierverening helpt de fokker of liefhebber met het ringen als dat nodig is.

Continu selecteren tijdens opfok
Fokken betekent ook selecteren. Jonge dieren worden regelmatig op hun ontwikkeling gecontroleerd. Jonge dieren die niet gelijkmatig opgroeien en/of afwijkingen vertonen aan vooral poten, vleugels, kop en ogen worden nooit perfecte vertegenwoordigers van het ras. Deze dieren moeten niet aangehouden worden. De ontwikkeling per jong wordt bijgehouden via het ringnummer. Door alleen de beste dieren te houden blijft het ras zuiver en vitaal en met de juiste raskenmerken.

Ziektebestrijding

Intro
Bij alle dieren komen ziekten, afwijkingen en gebreken voor. Het is niet mogelijk deze allemaal te beschrijven of om precies aan te geven hoe de liefhebber moet handelen. Enkele soms voorkomende ziekten worden kort behandeld. Gebreken zijn voor het geoefende oog snel te zien. Dat begint bij de geboorte met afwijkingen aan het skelet, poten en snavel. Aan dit soort gebreken is niets te doen. In de vrije natuur zijn deze kuikens de eerste prooi van roofdieren. De natuur zorgt er zelf voor dat deze dieren niet opgroeien. Ook de liefhebber moet dit erkennen en handelend optreden. Dieren met afwijkingen laten leven is niet diervriendelijk. In dit hoofdstuk worden enige handvaten gegeven voor de behandeling van zieke dieren.

Begrippen ziekteverwekkers en behandelmogelijkheden
Gebrekziekte
Een dier met ‘gebreksziekte’ is niet ziek, maar heeft gebrek aan maagkiezel, vitaminen of mineralen. De oplossing is het opheffen van het tekort.
Ectoparasieten
Voorbeelden zijn luizen, vlooien en bloedmijten. Deze parasieten worden bestreden met een insectenspray. Ook de kalkpootmijt die zich in de loopbenen vreet valt onder de ecto-parasieten en kan met specifieke middelen worden bestreden.
Endoparasieten
Dit zijn darmwormen. De dierenarts heeft middelen tegen deze wormen.
Protozoën
Dit zijn dierlijke ééncellige wezens. Belangrijke ziekteverwekkers zijn vier soorten die allen bij jonge dieren en vooral bij kuikens de ziekte coccidiose veroorzaken in verschillende delen van de darmen. Oudere dieren zijn er veel minder gevoelig voor. Een snelle behandeling met een specifiek middel geeft meestal een goed resultaat . De dierenarts heeft deze middelen. De levenscyclus van deze protozoën verloopt via de mest deels buiten het lichaam, waar de ontwikkeling stormachtig is onder warme en vochtige omstandigheden.
Bacterieziekten
Deze ziekteverwekkers zijn veel kleiner dan de protozoën en verspreiden een ziekmakend gif waardoor de ziekte meestal een ontstekingsachtig verloop heeft. De dierenarts heeft goede antibiotica.
Virusziekten
Virussen zijn nog weer veel kleiner en richten zich vaak op specifieke delen van het lichaam. Tegen virussen bestaan geen geneesmiddelen. Hier helpt alleen preventief vaccineren waardoor op kunstmatige wijze met dode virussen een natuurlijk afweermechanisme wordt ontwikkeld. Het lichaam heeft enige weken nodig om de immuniteit op te bouwen. Een bekend voorbeeld in de pluimveehouderij is de verplichte enting tegen Pseudo Vogelpest (New Castle Disease of NCD). De dieren zijn vanaf twee weken na de enting tot en met vijf maanden erna immuun.

Herkennen en isoleren van zieke dieren
Een ziek dier vertoont vaak lusteloos gedrag, zondert zich af en eet meestal niet meer. Het is moeilijk de specifieke ziekte te herkennen, behalve als het uitwendige beschadigingen zijn. Soms is aan de houding van het dier of aan de aard en de kleur van de mest en de kleur van de kopversierselen af te leiden om welke ziekte het gaat. Zodra een dier afwijkend gedrag vertoont, wordt dit dier geïsoleerd van de andere dieren. Een ziek dier wordt vaak het doelwit van gezonde dieren en brengt de ziekte misschien ook op de andere dieren over. Plaats dit dier in een apart hok met schoon water en voldoende voedsel. Belangrijk is ook om de bodembedekking schoon te houden.

Welke ziekte is het
Een ervaren fokker kan soms vast stellen om welke ziekte het gaat en advies geven. Sommige dierenartsen zijn redelijk tot goed gespecialiseerd in ziekten die bij gevogelte voorkomen. Maar het blijft soms moeilijk een goede diagnose te stellen. Gaandeweg leert men zelf ook beter zieke dieren te herkennen. De dieren moeten regelmatig gecontroleerd worden op ectoparasieten. Deze parasieten zitten vaak onder de vleugels en rond de cloaca. Ziekten en kwalen die we bij de siervogels tegen komen zijn vooral pseudo vogelpest, blackhead of zwarte koppenziekte, infectueuze bronchitis, coccidiose en verschillende darmwormen. Lusteloze dieren al dan niet tezamen met andere mest dan normaal duiden op darmwormen. Zitten kuikens of jonge dieren ingedoken met opgezette veren, dan hebben ze vaak last van coccidiose. Nemen de dieren een pinguïnachtige houding aan, rochelen de kuikens of neuriën de volwassen dieren, dan is dat vaak een signaal van infectieuze bronchitis of gaapwormen. Dit is niet de enige ademhalingsziekte. Pluimvee is vatbaar voor ademhalingsziekten en dan is het beter direct een dierenarts in te schakelen.

Wat kun je zelf doen en wat moet je niet zelf doen
Over ziektes zijn goede boeken te koop. Een goed boek is ‘Gezond pluimvee’ van dr. A.C. Voeten, dat te koop is bij de boekenverkoop van de NHDB. Bij dierenspeciaalzaken zijn middelen te krijgen tegen ectoparasieten. Andere middelen tegen verschillende ziekten kunnen beter via of bij de dierenarts gekocht worden. Verplichte vaccinaties zoals tegen pseudo vogelpest moeten door een dierenarts of onder leiding van een dierenarts door een plaatselijke kleindiervereniging worden uitgevoerd. De dieren moeten dan voorzien zijn van een vaste pootring met nummers. Op basis van die nummers wordt een entbewijs verstrekt. Ook tegen infectueuze bronchitis kunnen de dieren preventief geënt worden. Blackhead, coccidiose en wormen kunnen voorkomen worden door preventief middelen toe te voegen aan het voer. Krijgt men desondanks toch met zieken te maken dan is men aangewezen op de deskundigheid van een ervaren collega fokker, maar ook dikwijls op de hulp van een dierenarts. Verder moeten alle ingrepen bij een dier waarbij verdoving of narcose wenselijk is door een dierenarts uitgevoerd worden. Zelf dokteren betekent veel dierenleed en het is verboden.

Nazorg en herintroductie van het genezen dier
Knapt het zieke dier weer op, dan kan het weer terug geplaatst worden. Is het dier toch nog verzwakt, dan moet goed in de gaten worden gehouden of het dier wordt geaccepteerd. Is dat niet het geval, dan moet het dier nog verder aansterken en wordt het terugplaatsen later nog eens geprobeerd.
Als behandeling niet helpt
Helpt geen enkele behandeling, dan is het aan te raden het dier uit zijn lijden te verlossen. Kan men dit zelf niet doen, dan is een ervaren fokker of dierenarts de aangewezen persoon.

Voeding en verzorging

Intro
Zonder goede voeding en verzorging geen gezonde dieren. Deze regel geldt altijd en overal. Dit hoofdstuk beschrijft kort de voeding en verzorging van siervogels.

Voeding voor volwassen dieren
Volwassen dieren worden buiten het fokseizoen gevoerd met een rust- of onderhoudskorrel speciaal voor siervogels. Dit voer is niet op de productie van eieren afgestemd, maar houdt de dieren wel goed in conditie. Meestal wordt bij volwassen dieren dit onderhoudsvoer in korrelvorm verstrekt. Voor de kleinste kwartels moeten de korrels gemalen worden. Korrelvoer heeft als voordeel dat de dieren alles binnen krijgen wat ze nodig hebben en niet de lekkerste deeltjes uit het meel pikken en daarmee door het zoeken ook meestal meer knoeien met het voer. Daarnaast wordt de dieren dagelijks een kleine hoeveelheid gemengd graan gegeven. Ruim voor het fokseizoen begint wordt de onderhoudskorrel vervangen door een voeder dat de productie van goede broedeieren stimuleert. Dit is de foktoomkorrel. Dit voer bevat meestal meer eiwit en ook meer vitaminen. Graan bijvoeren is in deze periode niet gewenst omdat dan de verhouding van voedingsstoffen wordt verstoord. Groenvoer bijvoeren mag altijd, ook in de rustperiode voor zover het dan voorhanden is. Siervogels en vooral de fazanten wennen sneller aan de verzorger door ze zo nu en dan iets extra´s te geven in de vorm van stukjes pinda, fruit of meelwormen. Daar zijn ze gek op.

De gangbare zaadmengsels voor sierduiven voldoen niet goed voor de oorspronkelijke zaadetende duiven. Er zijn voederfabrikanten die aangepaste zaadmengsels voor deze duiven leveren. In dit voer zijn de traditionele granen als tarwe en peulvruchten deels vervangen door tropische zaden. Er zijn ook liefhebbers en fokkers die zonder problemen hun oorspronkelijke duiven en lachduiven voeren met het bij elke dierenspeciaalzaak te krijgen tortelduivenvoer. In de broedperiode wordt soms een kleine hoeveelheid eiwitrijk voer toegevoegd. Dit eiwitrijke krachtvoer is ook in de dierenspeciaalzaak te koop.

Kalkoenen in het bos

Voeding voor jonge dieren
Jonge kuikens worden gevoerd met opfokkorrels of opfokmeel. De meeste kuikens leren snel zelf te eten. Kuikens van fazanten hebben daar soms meer moeite mee. Zijn ze natuurlijk uitgebroed door de ouderdieren, dan volgen ze de ouders en leren ze snel door af te kijken. Kunstmatig uitgebroede fazantenkuikens hebben soms veel moeite om te starten met het eten. Is dit aan de orde, dan moet de eerste dagen de kuikens het voer aangereikt worden. Dit gaat vaak goed met in stukjes geknipte meelwormen. Als ze die eenmaal kennen en ze worden gemengd met het opfokvoer dan leren ze snel zelf te eten. Om de dieren vertrouwelijk te maken en te houden wordt het geven van meelwormen dikwijls lang volgehouden. Het opfokvoer voor de jongste dieren wordt na ruim 6 weken vervangen door opfokvoer 2 en na nog weer ruim 6 weken door opfokvoer 3. Na ongeveer 18 weken worden de jonge dieren verder gevoerd met het eerder genoemde normale onderhoudsvoer voor siervogels. Het overschakelen op ander voer moet geleidelijk gebeuren door in de overgangsperiode beide voeders korte tijd te mengen en dat geldt ook voor het overschakelen van meel naar korrel.

Voerbakken
Kijk bij de aankoop van de dieren welke voerbakken deze fokker gebruikt. Bevallen deze bakken dan is het verstandig dezelfde bakken ook zelf te gebruiken. De dieren zijn daaraan gewend. Bij de dierenspeciaalzaak zijn vele soorten en maten voederbakken te koop. Belangrijkste is dat de dieren er niet mee kunnen knoeien en dat het voer droog blijft. De voerbakken mogen ook niet omvallen als de dieren er tegenaan lopen of er op gaan zitten. Om te voorkomen dat er bodemstrooisel in de voerbakken wordt gekrabd, worden de voerbakken op een kleine verhoging geplaatst.

Drinkbakken
Voor drinkbakken geldt hetzelfde als bij de voerbakken. Plaats de bakken op een verhoging, zodat de dieren er geen vuil in kunnen krabben. Het drinkwater wordt dagelijks ververst en de drinkbak schoongemaakt. Belangrijk is dat de bakken, ook in lege toestand, niet door de dieren omgegooid kunnen worden als zij er op gaan staan of er tegenaan lopen of vliegen.

Geschikte drinkbak voor kwartels

Extra toevoegingen
Een bakje met maagkiezel gemengd met wat grit mag nooit ontbreken. Vogels hebben geen tanden en vermalen met de maagkiezel het voedsel in hun maag. Zonder maagkiezel wordt het voer slecht verteerd en ontstaan gemakkelijk gebreksziekten. Grit bevat veel kalk en leggende dieren hebben veel kalk nodig voor de vorming van een stevige eierschaal. Een bakje met grit mag bij leggende siervogels nooit ontbreken. Duiven hebben extra mineralen en vitamines nodig omdat deze voedingsstoffen van nature te weinig in granen en zaden voorkomen. Duiven in de vrije natuur zoeken zelf naar aanvulling op het voer. Duiven in ons beschermde milieu kunnen dat niet. Ook jonge kuikens hebben maagkiezel nodig, maar gebruik dan een fijne soort, anders kunnen ze het niet opnemen.

Baden in water en in zand
Duiven laten zich in de natuur vaak natregenen en houden op deze manier hun veren in goede conditie. Als de volière is afgedekt is het goed om de duiven zo nu en dan een bad te laten nemen in een schaal met water. Het badwater wordt op tijd weer weggehaald om te voorkomen dat het wordt gebruikt als drinkwater.

Lachduiven maken toilet

De andere siervogels nemen nooit een bad in water maar doen dat dolgraag in droog zand. Op deze manier houden de dieren hun veren schoon en in goede conditie. Zandbaden is ook een goed middel om luizen en vlooien te verwijderen. Zij nemen elke dag meerdere malen een zandbad als ze de kans krijgen. Het is zo’n belangrijk onderdeel van het gedrag dat men hen dit niet mag onthouden.

Omgaan met dieren
Goed omgaan met de dieren is net zo nodig als het geven van voer en water. Het omgaan met de dieren is misschien wel het mooiste wat er is. De siervogels zijn geen aaibare dieren en houden er niet van om opgepakt en geaaid te worden. Het gedrag van de verzorger bepaalt ook sterk het gedrag van de dieren. Door altijd rustig met de dieren om te gaan en ze nooit te laten schrikken worden zelfs de schrikachtige siervogels nog vrij rustig. Ga daarom nooit onverwachts het hok in en laat de dieren in de ren nooit schrikken. Laat bij de benadering van de dieren altijd een vertrouwd geluid horen, zodat de dieren weten dat de verzorger er aan komt en win zo het vertrouwen van de dieren. En juist dat maakt het houden van siervogels zo plezierig en interessant.

Huisvesting

Intro
Alle dieren hebben een goede huisvesting nodig. Het maakt ook verschil of de gehouden dieren winterhard zijn of in de winter bijverwarmd moeten worden. Ook moet rekening gehouden worden met de welstandseisen in de gemeente. Om enig houvast te geven wordt in dit hoofdstuk kort ingegaan op de huisvesting van siervogels.

Een schets van een eenvoudig hok

Welstandseisen
Soms is voor het bouwen van een hok een bouwvergunning nodig. Kleine hokken kunnen zonder vergunning geplaatst worden. Het bouwen van grote hokken en volières is aan regels gebonden. Volgens de eisen van het ministerie van VROM van 1 januari 2003 is geen vergunning nodig als het hok:
1. gebouwd wordt bij een bestaande woning en het niet vanuit die woning direct te betreden is
2. op de grond gebouwd wordt, dus niet op een ander bouwwerk
3. maar uit één bouwlaag bestaat
4. bijdraagt tot het woongenot, dus niet voor professioneel gebruik
5. niet groter dan 10 m2 is en ten hoogste 3 meter hoog.
Wordt aan deze voorwaarden voldaan dan bepalen de volgende voorwaarden of de situatie licht vergunningsplichtig is:
1. het huis waarbij het hok gebouwd wordt is een rijksmonument
2. er wordt gebouwd bij een stacaravan of een andere niet permanente bewoning
3. het hok wordt gebouwd dichter dan 1 m aangrenzend aan openbaar groen of voorerf
4. het hok is groter dan 10 m2 en staat dichter dan 1 meter vanaf de grens met de buren
5. het totaal van de vergunningsvrije gebouwen is 30 m2 of het beslaat, inclusief de andere bijgebouwen, meer dan 50% van de tuin.

Let op de regels van de gemeente

Wordt niet voldaan aan de punten 1 t/m 4 dan moet een bouwvergunning aangevraagd worden. Deze vergunning is ook nodig als het hok groter is dan 50 m2 of hoger dan 5 meter. Verder moet het hok altijd een passend bouwwerk zijn dat geen aanstoot geeft.

Hokken en rennen
Pauwen, kalkoenen en parelhoenders worden dikwijls los in een afgerasterd terrein gehouden. Om te voorkomen dat de dieren zelf ergens een hoge plek gaan zoeken, worden in hun leefruimte zitstokken op een flinke hoogte aangebracht. Pauwen, kalkoenen, de gedomesticeerde parelhoenders en de meeste fazanten zijn winterhard en gebruiken niet zomaar een nachthok. Toch is een nachthok zinvol omdat in dit hok de voerbakken droog staan. Door in dit nachthok ook de eerder beschreven zitstokken te plaatsen kan men de dieren wellicht overhalen daar ook de nacht door te brengen. Dit is in een strenge winter ook handig voor de drinkbakken. Een hok voor deze dieren heeft flinke afmetingen. Als de voorkant van dit hok open gelaten wordt, moet deze opening gericht worden naar het zuidoosten. Op deze manier wordt inregenen voorkomen en waait de koude oostenwind in de winter ook niet naar binnen. Wordt gekozen voor een dicht hok voor de dieren, dan worden de ramen op het oosten gericht zodat de warme middagzon niet naar binnen schijnt. Ook als de dieren in een volière met nachthok worden gehouden moet rekening gehouden worden met de grootte van de dieren. Deze grootte hangt ook af van het aantal dieren dat in de ruimte wordt gehouden. Parelhoenders en fazanten worden meestal in volières gehouden die van boven ook zijn afgesloten. De meeste soorten zijn winterhard. Toch maken ze ook wel gebruik van een nachthok, zeker als het regent.

Een fraai groot hok met rennen voor meerdere soorten siervogels

Verschillende soorten fazanten kunnen vaak nogal agressief zijn. Deze soorten moeten per paar afzonderlijk in volières worden gehouden. De zitstokken moeten worden aangepast aan de grootte van de dieren. Zitstokken mogen nooit te dun zijn. Het dier moet er zijn tenen op kunnen leggen. De tenen mogen niet om de stok heen grijpen. Gaan de dieren ’s nachts op de zitstok zitten, dan worden de tenen beschermd tegen de kou door de buikveren van de dieren. Onder de zitstokken wordt een mestbak of mestgoot aangebracht. De dieren komen op deze manier niet in aanraking met de mest en het schoonmaken van het hok gaat veel gemakkelijker. Bij siervogels die in een volière worden gehouden moet de ondergrond goed doorlatend zijn zodat het geen modderpoel wordt. Op gras houden is ideaal maar meestal niet te realiseren omdat de dieren nogal eens de neiging hebben alles om te graven. Om gras te houden is het nodig vlak boven de grond gaas te spannen zodat het gras hier door kan groeien.

Duiven voelen zich prima thuis in een volière met nachthok. De weersinvloeden zijn van belang bij de plaatsing van het hok en de volière. De meeste duiven zijn verzot op zonnebaden, maar moeten ook een plek in de schaduw kunnen vinden. Het inslaan van regen en wind in het hok en de volière moet worden voorkomen. Meestal worden de duiven per koppel (doffer en duivin) in een volière gehouden. Deze ruimte is hun territorium. Andere soortgenoten worden niet geaccepteerd. Bij de oorspronkelijke soorten duiven kunnen in een ruime volière wel enkele soorten bij elkaar gehuisvest worden, maar het blijft vaak een riskante zaak. De koppels willen allemaal hun eigen territorium verdedigen. Is het de bedoeling meerdere soorten bij elkaar te houden, vraag dan eerst de fokker waar de dieren verkregen zijn of de gekozen soorten bij elkaar passen. Een verkeerde keuze leidt onherroepelijk tot gevechten en de dood van dieren.

Een volière voor een koppel duiven moet minimaal 2 meter diep, 2 meter hoog en 1 meter breed zijn. De maten van het bijbehorende nachthok zijn ongeveer vergelijkbaar, al naar gelang de ruimte. De volière wordt meestal van boven afgedekt met doorzichtige golfplaten, ter beschutting tegen het weer, maar ook om te voorkomen dat uitwerpselen van andere vogels in de volière terecht komen. De hokken moeten goed geventileerd worden en voldoende zitstokken hebben voor de duiven. Ook in de volière moeten zitstokken worden aangebracht en enige beplanting om de volière een natuurlijke uitstraling te geven. Lachduiven kunnen ’s winters bij voldoende beschutting buiten blijven. Diamantduiven en de meeste oorspronkelijke duiven kunnen slecht tegen vorst en moeten in de winter binnen worden gehouden. Bij strenge vorst is verwarming nodig. Om het plezier van het verzorgen van de dieren te vergroten is het nodig om een gang in de hokken te maken zodat de verzorger ook binnen staat. De dieren buiten bekijken en verzorgen in de winter en in de regen is niet de meest ideale situatie.

Lachduiven en diamantduiven worden ook wel in kleine tralie- of kistkooien gehouden. Deze rustige duiven accepteren deze kleine huisvesting wel, maar het meeste plezier hebben de dieren in een ruimere behuizing.

De kleine hoenderachtigen worden ook het best gehuisvest in hokken en volières zoals hierboven beschreven. Frankolijnen en patrijzen worden per koppel (haan en hen) gehouden.
Bij de bouw van hokken en volières voor frankolijnen en patrijzen moet rekening worden gehouden met de ruimte die deze dieren nodig hebben. Een grotere volière dan beschreven voor de duiven is aan te bevelen. Frankolijnen en de meeste patrijzen hebben ook een vorstvrij hok nodig.
Voor het houden van kwartels zijn er globaal drie mogelijkheden: in een volière met hok zoals beschreven bij de duiven, in aparte voor kwartels gemaakte hokken met rennen en in kleine kooien of vitrines.
In volières worden kwartels vaak samen met duiven of kleine (tropische) vogels gehouden. In deze situatie zijn grondkwartels aan te bevelen. Zij blijven altijd op de grond en de duiven hebben de rest van de volière in gebruik. Kuif- en boomkwartels samen met andere inwoners gaat minder goed omdat deze kwartels ’s nachts omhoog vliegen om op hoogte te slapen en dat geeft veel onrust in de volière.

Een voorbeeld van een hok voor grondkwartels met vijf afdelingen

De bodem van zowel hok als ren is op hoogte gebracht en maakt het werk voor de verzorger veel gemakkelijker

Aparte hokken voor het houden van grondkwartels hebben dezelfde vorm als de grotere volières. Omdat grondkwartels op de grond blijven hoeft de volière niet zo hoog te zijn. Een meter hoog of zelfs nog minder is al meer dan voldoende. Het nadeel van deze volières is dat de verzorger altijd op de knieën de volière in moet.
De grondkwartels worden ook wel in kleinere hokken gehouden, bijvoorbeeld in een schuur, garage of op zolder. Vooral de kleine chinese dwergkwartel is hiervoor prima geschikt. Deze kleine hokken kunnen ook gestapeld worden.

Kleinere hokken in een garage. De bovenhokken zijn nog niet af

Strooisel of bodembedekking
Als bodemstrooisel is alle losse materiaal dat veel vocht opneemt geschikt. Goed materiaal is gehakseld stro, hennepstro, koolzaadstro, houtkrullen en zand. Het strooisel moet regelmatig vervangen worden om te voorkomen dat het materiaal met de mest gaat samenkoeken. Als in het hok een ammoniaklucht hangt, is het strooisel al te laat vervangen.
Voor kleine hoenderachtigen voldoet droog zand, zowel in de hokken als in de volières goed omdat deze dieren dagelijks een zandbad willen nemen. Het voordeel van zand is dat de keutels van de dieren uit het zand gezeefd kunnen worden. Het zand kan op deze manier lange tijd gebruikt worden.

Kopen of zelf maken
Een handige doe-het-zelver kan met hulp van voorbeelden van bestaande hokken en volières gemakkelijk goede hokken bouwen naar eigen wensen. Hokken voor kleine aantallen dieren kunnen ook kant-en-klaar gekocht worden bij bedrijven die vaak gespecialiseerd zijn in dierenverblijven.
Speciale hokken worden ook op verzoek door timmerbedrijven en bedrijven die tuinhuisjes maken geleverd. Het is dan verstandig eerst een goede tekening te (laten) maken en een offerte aan te vragen. Het kan niet genoeg benadrukt worden dat het verstandig is om vooraf bij andere liefhebbers en fokkers van kleine siervogels hokken te bekijken. Gebruik maken van de ervaringen van ervaren fokkers is goud waard. Hokken moeten gemaakt worden van duurzame materialen, zodat het geheel onderhoudsarm is. Dat kost bij de bouw wat meer, maar bespaart op den duur geld en ergernis. Maak het deel dat met de grond verankerd is van steen. Dat voorkomt het rotten van het hout van het hok.