Showen

Intro
Fokkers willen graag hun fokresultaat aan andere fokkers en liefhebbers tonen en tegelijkertijd in competitie strijden om te zien wie de beste dieren heeft.
Overal in het land worden in de maanden september tot en met januari kleindierententoonstellingen georganiseerd.
Voor een overzicht van de kleindierententoonstellingen (met adresinformatie) in Nederland, klik hier.
In vogelvlucht wordt beschreven wat er allemaal gebeurt voor, tijdens en na een kleindierententoonstelling.


Overzicht van een kleindierententoonstelling

Selecteren en huisvesten van showdieren
Een showdier is een dier dat het standaardideaal dicht benadert en alle kenmerken toont van een vitaal dier. De inzender moet dus op de hoogte zijn van de eisen die aan zijn ras in de betreffende kleurslag worden gesteld. Deze eisen zijn beschreven in de konijnenstandaard van KLN.
De dieren worden regelmatig in de hand genomen en goed nagekeken op uiterlijke fouten om teleurstellingen op een tentoonstelling te voorkomen.
Zo is een witte nagel bij gekleurde dieren een grote fout en deze dieren horen niet op een tentoonstelling thuis.
Een hangend oor bij konijnen die staande oren moeten hebben is ook een zware fout.
Een ander onderdeel is het gewicht van het dier. Ook hiervoor zijn per ras minimum en maximum gewichten vastgesteld.
Er zijn per ras ook bepaalde punten die zwaarder wegen bij een keuring dan bij andere rassen. Denk bijvoorbeeld aan konijnen met een bijzondere vacht: het Angorakonijn en de Rex.
Op voorhand selecteren op de gewenste tekening is ook zinvol bij tekeningrassen. Wijkt de tekening af van de in de standaard beschreven tekening dan is het niet zinvol zo’n dier naar een tentoonstelling te sturen.

Een paar dagen voor de show worden de voor een tentoonstelling ingeschreven dieren in een trainingskooi geplaatst die veel lijkt op een echte tentoonstellingskooi. Hierdoor gedragen de dieren zich later op de tentoonstelling beter en zijn ze goed te beoordelen en te bekijken door het publiek. Voer en water worden in deze trainingskooien natuurlijk niet vergeten.

Conditioneren
De eerste selectie zit er dan op. De dieren die naar een tentoonstelling gaan moeten natuurlijk extra verzorgd worden. Op een tentoonstelling is het belangrijk, dat de dieren er keurig verzorgd uitzien. De nagels worden als het nodig is nog even geknipt. De pels wordt eventueel nog wat schoongemaakt en extra geborsteld.
Bij gekleurde dieren mag een enkel wit haartje met een pincet worden verwijderd.
Dit conditioneren mag nooit overdreven worden. Bovendien gaat u uzelf dan voor de gek houden. Een dier dat overmatig bijgewerkt moet worden voldoet niet aan de voor het dier geldende standaardbeschrijving.
Een sterke conditionering valt bovendien nogal op en het dier wordt vervolgens gediskwalificeerd.

Papierwinkel
Inschrijven voor een tentoonstelling verloopt volgens de procedure die beschreven is in het vraagprogramma van die tentoonstelling. De plaatselijke kleindiervereniging stuurt haar leden het vraagprogramma ruim van te voren toe.
Vraagprogramma’s van andere tentoonstellingen kunnen bij de betreffende tentoonstellingssecretaris aangevraagd worden. In het vraagprogramma is alle informatie opgenomen over de tentoonstelling.
Is bij het invullen van het inschrijfformulier nog hulp nodig, ga dan naar een ervaren fokker van een plaatselijke kleindiervereniging.
De tentoonstellingsorganisatie stuurt de inzender kort voor de tentoonstelling de inschrijfbevestiging en de etiketten voor elk dier met het kooinummer.

Verzendmateriaal
Als het tijdstip is aangebroken om de dieren naar de tentoonstelling te brengen, worden de dieren in de transportkist geplaatst.
Het beste is elk dier apart in een verzendkist te plaatsen.
Op de kist wordt het etiket geplakt van de tentoonstellingsorganisatie waar de dieren zijn ingeschreven. Op dit etiket worden ook de tatoeëernummers geschreven, zodat bij het uitkooien gecontroleerd kan worden of het juiste dier in de juiste kooi wordt geplaatst.
Het is voor de dieren belangrijk dat de kisten schoon zijn en voorzien van vers en schoon kort strooisel. De dieren blijven dan tijdens de reis ook mooi schoon.

Dieren inkooien
Inkooien is het brengen van de ingeschreven dieren naar de tentoonstelling en het plaatsen van de dieren in de aangewezen kooien.
De meeste fokkers brengen zelf of met enkele personen samen de dieren naar de tentoonstelling.
De grote (nationale) tentoonstellingen verzorgen vervoerslijnen door heel Nederland. Dit vervoer is veel goedkoper dan zelf de dieren wegbrengen en ophalen. In de vraagprogramma's van deze grote tentoonstellingen zijn de vervoerslijnen beschreven, inclusief de voorwaarden om mee te doen.
De inzender of de vervoerder plaatst de dieren in de kooien. Gelijktijdig wordt eventueel vuil aan de poten of de pels verwijderd.
De lege transportkist wordt onder de kooien geplaatst en de inbrengers van de dieren verlaten de tentoonstellingshal om bij het inkooien niet in de weg te lopen.

Keuringen en keurresultaten
Meestal zijn alleen tentoonstellingsmedewerkers, keurmeesters, helpers en schrijvers tijdens de keuring van de dieren aanwezig.
In het vraagprogramma staat vermeld welke keurmeester de dieren keurt.
De keurmeester keurt de dieren volgens vaste regels en volgens de vastgestelde standaardbeschrijving.
De beoordelingskaart wordt aan de kooi gehangen, zodat iedereen de beoordeling van elk dier kan lezen. De inzender kan de beoordelingskaarten opvragen om mee te nemen.
De keurmeester gebruikt de onderstaande predikaten bij de beoordeling met daarbij genoemd de te behalen punten per predikaat:

DIS = Diskwalificatie en 0 punten; het dier is uitgesloten door een fout van de fokker.
O = Onvoldoende en 82 of minder punten; de laagste beoordeling voor een dier met een ernstige fout.
V = Voldoende en 86 - 88 punten; het dier beantwoordt nog net aan de standaardbeschrijving.
G = Goed en 89 - 91 punten; het dier is een matige tot goede vertegenwoordiger van het ras.
ZG = Zeer Goed en 92 - 94 punten; de punten geven aan dat het om een krappe, een gemiddelde en een royale ZG gaat, waarbij de laatste een hele mooie vertegenwoordiger van het ras is.
F = Fraai en 95 - 97 punten; het dier en vooral ook het type (vorm) is beoordeeld als fraai, dus in totaal een fraai exemplaar.
U = Uitmuntend en 98 - 100; dit dier benadert op alle onderdelen het ideaalbeeld.

Prijzen
Het toekennen van de verschillende prijzen, zoals beschreven in het vraagprogramma, volgt als alle dieren gekeurd zijn.
De gewonnen prijzen worden in een aparte lijst in de catalogus opgenomen in volgorde van prijsnummer. De nummers van de prijzen zijn ook in het vraagprogramma opgenomen.
De inzender ontvangt de gewonnen prijzen meestal op de tentoonstelling. Geldprijzen worden soms overgemaakt via de giro- of bankrekening.
Veel fokkers vinden het naast het winnen van prijzen net zo belangrijk dat ze goede fokresultaten hebben bereikt.
Misschien is dat voor hen wel de belangrijkste prijs.


De jeugd krijgt uitleg op een kleindierententoonstelling

Uitkooien
Als de tentoonstelling afgelopen is worden de dieren rustig uit de kooien genomen.
Let goed op dat de juiste dieren worden meegenomen en niet per ongeluk een dier van iemand anders. Omdat het nummer van de kooi en de tatoeëernummers op het etiket van de verzendkist staan is controle mogelijk.

Terug in de hokken
Thuis gekomen worden de dieren weer in hun eigen omgeving geplaatst. Zijn er geen grote temperatuurverschillen tussen de tentoonstellingshal en het eigen hok en is er nog daglicht, dan kunnen de dieren direct terug gezet worden.
Blijven de dieren een nacht in de transportkist, dan wordt deze in een tochtvrije schuur of garage geplaatst. De ventilatieopeningen mogen niet geblokkeerd worden.
De volgende ochtend zijn de dieren goed gewend en kunnen dan weer terug naar hun vertrouwde omgeving.
Het is verstanding om eerst voorzichtig te voeren. De dieren zijn immers een aantal dagen weggeweest en hebben vaak ander voer gehad. Dus weer voorzichtig laten wennen.
Zorg voor goed hooi in de hokken en schoon water.

Fokken

Intro
Bij veel dierenliefhebbers ontstaat na verloop van tijd ook de wens om jonge dieren is fokken. Niets is zo mooi als ouderdieren met hun opgroeiende jongen dagelijks te kunnen volgen. Er is echter ook een maar aan verbonden. Er is wel kennis voor nodig.
Wil men bovendien jonge dieren fokken die zoveel mogelijk aan de raskenmerken voldoen dan vraagt dat ook weer extra kennis.
Er moet ook voldoende ruimte zijn voor de jonge dieren en niet alleen als ze nog klein zijn, maar ook later als ze volgroeid zijn. Is deze ruimte er niet, dan ontstaat er al snel overbevolking met alle problemen van dien.
Begin er dan (nog) niet aan en zorg eerst voor voldoende hokken voor de jonge dieren.

Keuze van de fokdieren
Niet alle dieren zijn geschikt voor de fok.
Voor het fokken worden alleen dieren gekozen die gezond zijn en altijd gezond zijn geweest. Belangrijk is ook te letten op een goed karakter.
Fok ook niet met dieren die een ziekte hebben gehad of geboren zijn uit ouders die ernstige ziekten hebben gehad.
Fokken met dieren die te nauw verwant aan elkaar zijn geeft meer kans op problemen. Deze nauwe verwantschap brengt aanwezige erfelijke afwijkingen sneller aan het licht.
De gekozen fokdieren moeten ook de specifieke eigenschappen bezitten die bij het ras horen. Al deze raseigenschappen zijn in de standaard beschreven.
Deze eigenschappen moeten ook bij de jonge dieren terug komen of nog beter worden. Op deze uiterlijke raseigenschappen worden de dieren later op tentoonstellingen beoordeeld.
Maar ook als gefokt wordt om een paar jonge dieren erbij te hebben is het nodig dezelfde zware selectiecriteria te gebruiken, anders verliezen de dieren in de loop van de tijd hun raseigenschappen.

Bevruchting
Konijnen zijn, afhankelijk van de grootte van het ras, geslachtsrijp op een leeftijd van zeven tot tien maanden.
De voedster (vrouwelijk konijn) is gemiddeld elke drie weken bronstig en bereid tot een paring. Als een voedster gedekt moet worden, wordt zij altijd in het hok van de ram (mannelijk konijn) geplaatst en nooit andersom. In het laatste geval reageert de voedster meestal vijandig op de ram.
Als de dekking niet snel gebeurt, is het beter de voedster weer uit het hok van de ram te halen. Enkele uren later wordt het dan nog een keer geprobeerd.

Omgaan met drachtige dieren
Als de bevruchting heeft plaats gevonden zien we ruim vier weken later dat de voedster haar uit haar vacht (vooral van de buik) gaat plukken. Hierdoor maakt ze de tepels vrij voor het zogen en het haar wordt samen het stro gebruikt om een nest te maken.
Bij dwergrassen is het vaak raadzaam om een nestkastje te gebruiken. Dit nestkastje wordt een week voor het werpen in het hok geplaatst.
De dracht van een voedster duurt ongeveer 31 dagen.
In deze periode wordt de voedster met rust gelaten. Wel is het goed de drachtige voedster wat extra krachtvoer te geven.

Als de jonge konijnen geboren zijn is het belangrijk ze met rust te laten. Wel moet gecontroleerd worden of er ook doodgeboren jongen zijn. Deze worden uiteraard uit het nest gehaald.
De jongen worden volledig hulpeloos, onbehaard en met gesloten ogen geboren. Pas na negen dagen gaan de ogen open.
Voedsters hebben acht tepels. Zijn er meer jongen geboren, dan moet het aantal terug gebracht worden naar acht of bij voorkeur naar zes.
Dwergkonijnen krijgen meestal niet meer drie of vier jongen, maar ook kleinere nestjes komen vaak voor.

Als de jongen tien dagen oud zijn moet gecontroleerd worden of de ogen open zijn. Is dit niet het geval, dan moeten de ogen uiterlijk op een leeftijd van elf of twaalf dagen voorzichtig open gemaakt worden.
Als dit niet wordt gedaan, blijven de dieren blind.
Een voedster met jongen mag de hele dag een volle bak met voer hebben. Zij moet zeker zes weken voldoende melk produceren om de jonge konijnen goed te laten opgroeien.
Na een week of zes kunnen de jongen bij de voedster weggehaald worden. Zij worden dan gespeend.
Het weghalen van de jongen wordt niet allemaal tegelijk gedaan, maar verspreid over een aantal dagen. Eerst worden de twee grootste jongen weggehaald en een dag of twee later weer enkele jongen. Het stoppen van de melkproductie bij de voedster heeft dan een geleidelijker verloop.
Het is niet aan te raden een voedster in een jaar meer dan drie nesten met jongen te laten krijgen.

Opfokken van jonge dieren
De eerste weken na het spenen kunnen twee of drie jonge dieren bij elkaar in één hok geplaatst worden. Toch is het beter al vrij snel de jonge dieren apart in een hok te plaatsen. Voor de ontwikkeling en de groei van het dier is dit het beste.
Bovendien is dan onmiddellijk te zien als één van de dieren wat slechter eet.

Tatoeëernummer
Op een leeftijd van zes weken worden de jonge konijnen voorzien van een nummer in het oor. Dit is het tatoeëernummer. Het tatoeëren wordt gedaan door een persoon van de plaatselijke kleindierenvereniging.
Met dit nummer is altijd te achterhalen wie de fokker van het konijn is.
In het rechteroor worden twee verenigingsletters en het laatste cijfer van het jaartal getatoeëerd. In het linkeroor is het eerste cijfer de letter van de maand en de andere cijfers zijn volgnummers. Aan deze tatoeëring is altijd de leeftijd van het dier af te lezen, evenals bij welke vereniging de fokker is aangesloten.

Continu selecteren tijdens opfok
Fokken betekent ook selecteren. Jonge dieren worden regelmatig op hun ontwikkeling gecontroleerd. Jonge dieren die niet gelijkmatig opgroeien en/of lichamelijke afwijkingen vertonen worden nooit perfecte vertegenwoordigers van het ras. Deze dieren moeten niet aangehouden worden om er verder mee te fokken. Door alleen met de beste dieren te fokken blijft het ras zuiver en vitaal en met de juiste raskenmerken.
Het is belangrijk om al vroeg te selecteren bij de jonge dieren. Meestal kunnen op een leeftijd van vier weken al aardig de mooiste jonge dieren geselecteerd worden.
Bij tekeningdieren kan dit al vanaf de geboorte. De mindere dieren kunnen het beste zo snel mogelijk naar een andere eigenaar gaan.
Op deze manier wordt hokruimte en voer bespaard.

Ziektebestrijding

Intro
Bij alle dieren komen ziekten, afwijkingen en gebreken voor. Het is niet mogelijk deze allemaal te beschrijven of om precies aan te geven hoe de liefhebber moet handelen. Enkele veel voorkomende ziekten worden kort behandeld.
Gebreken zijn meestal snel te zien. Dat begint bij de geboorte met afwijkingen aan bijvoorbeeld het skelet en de poten. Aan dit soort gebreken is niets te doen. In de vrije natuur zijn deze jonge dieren de eerste prooi van roofdieren. De natuur zorgt er zelf voor dat deze dieren niet opgroeien.
Ook de liefhebber moet dit erkennen en handelend optreden. Dieren met afwijkingen laten leven is niet diervriendelijk. In dit hoofdstuk worden enige handvatten gegeven voor de behandeling van zieke dieren.

Begrippen ziekteverwekkers en behandelmogelijkheden
Gebrekziekte
Een dier met ‘gebrekziekte’ is niet ziek, maar heeft gebrek aan maagkiezel, vitaminen of mineralen. De oplossing is het opheffen van het tekort.
Ectoparasieten
Voorbeelden zijn luizen, vlooien en bloedmijten. Deze parasieten worden bestreden met een insectenspray.
Endoparasieten
Dit zijn darmwormen. De dierenarts heeft middelen tegen deze wormen.
Protozoën
Dit zijn dierlijke ééncellige wezens. Belangrijke ziekteverwekkers zijn vier soorten die coccidiose veroorzaken in verschillende delen van de darmen. Oudere dieren zijn er veel minder gevoelig voor. Een snelle behandeling met een specifiek middel geeft meestal een goed resultaat. De dierenarts heeft deze middelen.
De levenscyclus van deze protozoën verloopt via de mest deels buiten het lichaam, waar de ontwikkeling stormachtig is onder warme en vochtige omstandigheden.
Bacterieziekten
Deze ziekteverwekkers zijn veel kleiner dan de protozoën. De ziekte heeft meestal een ontstekingsachtig verloop. De dierenarts heeft goede antibiotica.
Virusziekten
Virussen zijn nog weer veel kleiner en richten zich vaak op specifieke delen van het lichaam. Tegen virussen bestaan geen geneesmiddelen. Hier helpt alleen preventief vaccineren waardoor op kunstmatige wijze met dode virussen een natuurlijk afweermechanisme wordt ontwikkeld. Het lichaam heeft enige weken nodig om de immuniteit op te bouwen.

Herkennen en isoleren van zieke dieren
Zieke dieren vallen onmiddellijk op, omdat een ziekte meteen effect heeft op het gedrag.
Een ziek dier in een groep kan zijn soortgenoten besmetten en moet dan ook direct apart worden geplaatst.
Zorg voor een schone kooi met alleen een drink- en etensbakje en een klein beetje bodembedekking zodat het zieke dier goed bekeken kan worden.
Zorg dat het zieke konijn goed hooi en schoon water heeft en geef zeer matig voer. Voer dat niet direct wordt opgegeten moet verwijderd worden.
Een ziek dier vertoont vaak lusteloos gedrag, zondert zich af en eet meestal niet meer. Het is moeilijk de specifieke ziekte te herkennen, behalve als het uitwendige beschadigingen zijn. Soms is aan de houding van het dier of aan de aard en de kleur van de mest af te leiden om welke ziekte het gaat.

Welke ziekte is het en wat kun je doen
Konijnen kunnen last hebben van een aantal ziekten. Met een goede hygiëne kan wel veel ellende worden voorkomen.

Een bekende ziekte is myxomatose, een ziekte die veel bij konijnen in de natuur voorkomt.
De verschijnselen zijn een ontstoken neus, oren en ogen. Deze ziekte wordt door insecten verspreid. Als de dieren ziek zijn is genezing nagenoeg niet mogelijk. Het is raadzaam jaarlijks de konijnen preventief te enten tegen deze ziekte.
Een andere ziekte die de laatste tijd opduikt is VHS. De zieke dieren sterven zeer plotseling en laten vaak een bebloede neus zien. Ook tegen deze ziekte is preventieve enting de enige mogelijkheid.
Natuurlijk is het niet zeker dat de dieren deze ziekte krijgen. Als de dieren zonder enting toch ziek worden is het te laat en gaan veel dieren dood.

Coccidiose is ook een lastige darmziekte die wordt veroorzaakt door een bacterie in de darmen.
De dierenarts kan helpen om deze ziekte onder de knie te krijgen.
Een andere lastige zieke is snot. Besmette dieren zitten dan constant te snotteren. Grote klodders vettig slijm komen dan uit de neus. De zieke dieren worden ook snel herkend aan een plakkerige binnenzijde van de voorpoten.
Deze ziekte is zeer besmettelijk en genezing is nagenoeg niet mogelijk.
Ook voor de fokkerij moet je dergelijke dieren uitsluiten, want het kan ook een erfelijke aandoening zijn.

Soms hebben dieren wel eens een lichte diarree. Dat hoeft nog niet altijd een ziekte te betekenen.
Meestal gaat dit na korte tijd wel over. Drinken is dan wel erg belangrijk.
Ongedierte zoals vlooien, mijten en luizen worden met een insectenpoeder bestreden.
Bij twijfel over een ziek konijn is het verstandig advies te vragen bij een ervaren fokker of een dierenarts.

Als behandeling niet helpt
Helpt geen enkele behandeling, dan is het aan te raden het dier uit zijn lijden te verlossen. Kan men dit zelf niet doen, dan is een ervaren fokker of dierenarts de aangewezen persoon.

Voeding en verzorging

Intro
Zonder goede voeding en verzorging geen gezonde dieren. Deze regel geldt altijd en overal.
Dit hoofdstuk beschrijft kort de voeding en verzorging van konijnen.

Voeding voor volwassen dieren
Er zijn vele manieren om een konijn te voeden en te verzorgen. Konijnen kunnen uitstekend gevoerd worden met gemengd konijnenvoer. Er zijn ook konijnenkorrels te koop.
Zowel het gemengde konijnenvoer als de korrel kan aangevuld worden met groenvoer zoals gras en een aantal kruiden en groenten.

Het beste is om kleine stukjes van zoveel mogelijk verschillende groenten tegelijk te geven, in plaats van veel van één soort groente. De wilde konijnen in de natuur eten ook heel gevarieerd en eten overal een klein beetje van. Voorbeelden van goede groenten om te geven zijn: andijvie, veldsla, broccoli, wortelen, wortelloof en witlof.
Voorbeelden van kruiden en planten in de natuur die konijnen graag eten zijn: weegbree, herderstasje, boerenwormkruid en de bloemen en het blad van de paardebloem.
Als een dier geen groenvoer gewend is, moet het hier langzaam aan wennen. Een konijn heeft zeer gevoelige darmen en deze kunnen snel van streek raken als ze te veel groenvoer krijgen, terwijl ze dit niet gewend zijn.

Konijnen moeten altijd schoon en fris drinkwater hebben. Ook goed fris hooi moet altijd in de hokken aanwezig zijn.
Het drinkwater moet elke dag ververst worden, ook als er drinkflesjes worden gebruikt. Als water lang stil staat gaat het stinken en een konijn drinkt dit water dan niet meer.

De hoeveelheid voer is natuurlijk afhankelijk van de grootte en de behoefte van het konijn. Belangrijk is dat een konijn zijn voer elke dag volledig opmaakt.
Als ze te veel krijgen laten ze het staan en dan moet er wat minder gevoerd worden.

Worden konijnen gekocht dan is het verstandig meteen wat voer mee te nemen waaraan ze zijn gewend. Konijnen moeten altijd voorzichtig wennen aan ander voer.

Goed fris hooi moet altijd in de ruif beschikbaar zijn. Konijnen eten dit naar behoefte. Voor een goede spijsvertering is goed hooi absoluut noodzakelijk.

Voeding voor jonge dieren
Jonge konijnen gaan vanzelf vast voer mee-eten als ze nog bij hun moeder (de voedster) in het hok verblijven.
Worden de jongen gespeend (d.i. bij hun moeder weggehaald) dan kunnen zij ook direct volledig overgaan op dit voor hen bekende voer.
Er is in de handel ook speciaal voer voor jonge konijnen te koop, maar nodig is dit niet.
Na het spenen moet wel worden opgelet of de jonge dieren het beschikbare voer wel opeten.
Is het voer de volgende dag niet op, dan wordt het oude voer weggehaald en wordt op de gewone tijd weer nieuw voer gegeven.

Voerbakken
Kijk bij de aankoop van de dieren welke voerbakken de fokker gebruikt. Bevallen deze voerbakken dan is het verstandig dezelfde bakken ook te gebruiken. De dieren zijn daaraan gewend.
Bij de dierenspeciaalzaak zijn vele soorten en maten voederbakken te koop. Afhankelijk van het ras kan men een keuze maken.

Drinkbakken
Voor drinkbakken geldt hetzelfde als bij de voerbakken. Plaats de bakken op een verhoging, zodat de dieren er geen vuil in kunnen krabben.
Beter is het gebruik van een drinkfles. Het water kan dan niet door de dieren vervuild worden.
Drinkflessen moeten ook regelmatig gecontroleerd worden. Soms raken de nippels verstopt.

Omgaan met dieren
Goed omgaan met de dieren is net zo nodig als het geven van voer en water en het schoonmaken van de hokken.
Het omgaan met de dieren is misschien wel het mooiste wat er is.


Jong geleerd is oud gedaan

Het gedrag van de verzorger bepaalt ook sterk het gedrag van zijn dieren. Ga altijd rustig met de dieren om en laat ze nooit schrikken.
Laat bij de benadering van de dieren altijd een vertrouwd geluid horen, zodat de dieren weten dat de verzorger er aan komt en win zo het vertrouwen van de dieren. Dat kan bijvoorbeeld door steeds eenzelfde fluittoon of deuntje te herhalen. De dieren leren snel dat er dan geen gevaar dreigt.
Haal de dieren ook regelmatig aan en zet ze ook op tafel. Zij wennen dan snel aan de verzorger en het plezier dat u aan de konijnen beleeft wordt er alleen maar groter op en juist dat maakt het houden van konijnen zo plezierig en interessant.

Spijsvertering
De spijsvertering van een konijn begint in de mond.
De enzymen in het speeksel beginnen al aan het proces van eiwitsplitsing. Als het konijn slikt komt het voedsel in de maag.
De maag van het konijn is relatief klein. Daarom is het goed als een konijn verspreid over de dag kleine porties voedsel krijgt.
In de maag wordt het voedsel gemengd met maagzuur. De enzymen in het maagzuur bewerken de voedselbrij.

Als het voedsel in de maag voldoende is bewerkt schuift de voedselbrij door naar de dunne darm. Een aantal belangrijke voedingsstoffen wordt door de darmwand geabsorbeerd en afgegeven aan de bloedbaan.
De overgebleven voedselbrij schuift dan door naar de dikke darm. In de dikke darm wordt de voedselbrij gescheiden. De meest vezelrijke massa wordt naar de blinde darm geleid.
Ook de blinde darm heeft bij konijnen duidelijk een functie. In deze darm worden o.a. vezels omgezet in vluchtige vetzuren. De zachte blinde darmkeutels eet het konijn opnieuw op, waardoor de voedingsstoffen in de dunne darm opgenomen kunnen worden.
Als een konijn zijn nachtkeutels niet kan opnemen, ontstaat een tekort aan B-vitamines.

Ruwvoer
Bij de meeste konijnenfokkers bestaat het konijnenmenu naast water uit een krachtvoer en een ruwvoer. Het krachtvoer bestaat meestal uit een korrel of een gemengd voer.
Als ruwvoer wordt vaak hooi gegeven en eventueel in de zomer vers gemaaid gras.
Vezels zijn van groot belang voor het goed functioneren van konijnen.
Stengelig hooi is een bron van vezels. Maar niet het hooi is zozeer essentieel, maar juist de vezels uit het hooi!
Deze vezels kunnen konijnen ook in de vorm van stro opnemen. Stro is misschien nog wel een betere vezelbron dan hooi.

Veel fabrikanten van konijnenvoeders brengen qua voedingsbehoeften een min of meer volledig voeder op de markt. Wordt er dan toch nog hooi bijgevoerd, dan worden op het totale rantsoen bepaalde gehaltes scheefgetrokken.

Krachtvoer
Er zijn vele merken konijnenvoeders en binnen de verschillende merken zijn vaak nog de nodige variëteiten.
Grofweg zijn de soorten onder te verdelen in gemengde voeders en geperste korrels.
Veel gemengde voeders zien er zeer aantrekkelijk uit maar het bekendste nadeel is dat het konijn kan gaan selecteren. Vanuit dat oogpunt verdienen geperste korrels dan ook de voorkeur. Het konijn kan zo niet gaan kiezen en krijgt de voedingscomponenten in de verhouding binnen zoals de fabrikant het bedoeld heeft.

De hoeveelheid benodigd voer is afhankelijk van diverse factoren. Allereerst bepaalt de verteerbaarheid van het voer welk deel daadwerkelijk te benutten is.
Daarnaast spelen vele milieufactoren een rol. Van invloed zijn onder andere ras en grootte, leeftijd, conditie, mate van activiteit, hoeveelheid en kwaliteit van het ruwvoer en temperatuur.
Het is verstandig altijd te voeren met de ogen.
Een richtlijn voor te voeren krachtvoer is 25 tot 50 gram per kilogram lichaamsgewicht, waarbij kleinere dieren (activiteit buiten beschouwing gelaten) relatief meer verbruiken. Een ander handvat is 4 tot 5% van het lichaamsgewicht bij de kleine rassen en ca. 3% van het lichaamsgewicht bij grote rassen.

Overige bijvoedering
Naast krachtvoer, stro en hooi worden er tal van andere producten bijgevoerd aan konijnen. Groenvoeders zoals gras en wortels zijn waarschijnlijk de meest gangbare.
Voor gras geldt eigenlijk hetzelfde als voor hooi. Is het gewas afgerijpt (stengelig), dan is het goed konijnenvoer.
Maar bedenk goed dat ook dit voedingsrijke niet-volledige product bepaalde gehalten scheef trekt op het totale rantsoen. Als voorbeeld: een konijn dat meer gras eet, zal minder korrels eten en krijgt daarmee o.a. minder vitamine E binnen.

Brood is weliswaar een smakelijk product, maar het mag alleen in een beperkte hoeveelheid als konijnenvoer gebruikt worden. Brood voeren aan konijnen die niet voldoende energie verbranden kan lichaamsvervetting en wam-vorming tot gevolg hebben.
Wortels zijn vanuit vele wijsheden misschien hét konijnenvoer bij uitstek.
Maar een konijn kan op wortels alleen niet leven en als er een goed krachtvoer wordt gebruikt, voegt een wortel niets toe.

Huisvesting

Intro
Alle dieren hebben een goede huisvesting nodig. Het maakt ook verschil of de gehouden dieren winterhard zijn of in de winter bijverwarmd moeten worden.
Bij het bouwen van de hokken moet ook rekening worden gehouden met de welstandseisen in de gemeente.
Om enig houvast te geven wordt in dit hoofdstuk kort ingegaan op de huisvesting van konijnen.

Welstandseisen
Soms is voor het bouwen van een hok een bouwvergunning nodig. Kleine hokken kunnen zonder vergunning geplaatst worden. Het bouwen van grote hokken en volières is aan regels gebonden.

Volgens de eisen van het ministerie van VROM van 1 januari 2003 is geen vergunning nodig als het hok:
1. gebouwd wordt bij een bestaande woning en het niet vanuit die woning direct te betreden is
2. op de grond gebouwd wordt, dus niet op een ander bouwwerk
3. maar uit één bouwlaag bestaat
4. bijdraagt tot het woongenot, dus niet voor professioneel gebruik
5. niet groter dan 10 m2 is en niet hoger dan drie meter.

Wordt aan deze voorwaarden voldaan dan bepalen de volgende voorwaarden of de situatie licht vergunningsplichtig is:
6. het huis waarbij het hok gebouwd wordt is een rijksmonument
7. er wordt gebouwd bij een stacaravan of een andere niet permanente bewoning
8. het hok wordt gebouwd dichter dan één meter aangrenzend aan openbaar groen of voorerf
9. het hok is groter dan 10 m2 en staat dichter dan één meter vanaf de grens met de buren
10. het totaal van de vergunningsvrije gebouwen is 30 m2 of het beslaat, inclusief de andere bijgebouwen, meer dan 50% van de tuin.

Wordt niet voldaan aan de punten 1 t/m 4, dan moet een bouwvergunning aangevraagd worden. Deze vergunning is ook nodig als het hok groter is dan 50 m2 of hoger dan vijf meter. Verder moet het hok altijd een passend bouwwerk zijn dat geen aanstoot geeft.

Hokken
Een groot konijn, zoals een Vlaamse Reus, heeft een hok van minimaal één vierkante meter nodig.
Dit hok moet daarbij ten minste 80 centimeter hoog zijn. Het dier moet zich immers goed en vrij kunnen bewegen.
Groter is alleen maar goed, maar het hok mag niet kleiner zijn.
Het kleinste konijn, een dwergkonijn, heeft minimaal een hok nodig van 50 bij 60 centimeter.
Deze hokken kunnen buiten staan, als ze maar uit de wind en droog staan.
De hokken mogen ook niet in de volle zon staan. Konijnen hebben een pels en kunnen beter kou dan warmte verdragen.
Konijnen kunnen in de zomer ook in een verplaatsbare buitenren in de tuin worden gezet.
Deze ren moet wel een goede bescherming bieden tegen honden, katten en roofvogels.


Twee hangoorkonijnen even los in de tuin

Voor de hokken is het van belang of het bij één konijn blijft of dat het de bedoeling is te gaan fokken met de konijnen. Bij fokken zijn er meer hokken nodig.
Voor één of een paar hokken zoals hierboven beschreven is geen vergunning van de gemeente nodig.
In een garage of tuinschuur kunnen meerdere hokken voor konijnen naast en/of boven elkaar gebouwd worden. Deze gestapelde hokken worden ook wel konijnenflats genoemd.
Bij de bouw van gestapelde hokken moet er op gelet worden dat de urine van de bovenhokken goed wordt afgevoerd en niet lekt in de benedenhokken.

Is het de bedoeling om een schuur of tuinhuis te bouwen voor de konijnen, dan komen de welstandeisen van de gemeente om de hoek kijken.
Het is beter vooraf te informeren dan naderhand problemen te krijgen.
Belangrijk is dat eventuele buren geen bezwaar hebben tegen de bouw. Worden de hokken altijd goed schoon gehouden, dan is er ook geen stankoverlast en worden er ook geen vliegen en andere insecten aangetrokken. De mest van de konijnen moet ook altijd snel worden afgevoerd om overlast te voorkomen.

Strooisel of bodembedekking
Konijnen zijn erg zindelijke dieren en houden van een schoon hok. In hokken voor konijnen wordt meestal stro als bodemstrooisel gebruikt.
Een konijn kiest in het hok vaak één van de hoeken uit als mesthoek.
In deze mesthoek wordt onder het stro eerst een laag houtkrullen gelegd, zodat het vocht in de krullen wordt opgenomen. De hokken blijven dan droger.
Sommige fokkers houden hun dieren alleen op houtkrullen.
Minimaal elke week worden alle hokken schoon gemaakt.

Kosten: kopen of zelf maken
Hokken voor konijnen kunnen door een handige doe-het-zelver gebouwd worden.
Bij vele timmerbedrijven en dierenspeciaalzaken zijn deze hokken ook te koop.
Konijnenflats zijn niet standaard te koop en moeten dus zelf gebouwd worden of moet men laten bouwen.
Om goede hokken te bouwen is het belangrijk eerst goed rond te kijken bij andere konijnenfokkers. Op deze manier wordt veel kennis verzameld en kunnen prachtige en handige hokken worden gebouwd.
De kosten van de hokken zijn natuurlijk afhankelijk van het gekozen materiaal en het aantal hokken.