Showen

Intro
Fokkers willen graag hun fokresultaat aan andere fokkers en liefhebbers laten zien en tegelijkertijd in competitie strijden om te zien wie de beste dieren heeft.
Overal in het land worden in de maanden september tot en met januari tentoonstellingen georganiseerd. Voor een overzicht van de kleindierententoonstellingen (met adresinformatie) in Nederland, klik hier.
Op deze tentoonstellingen worden vaak ook kleine knaagdieren gevraagd. Hoewel de meeste tentoonstellingen twee tot drie dagen duren, worden kleine knagers maar één dag geshowd.
In vogelvlucht wordt beschreven wat er allemaal gebeurt voor, tijdens en na een kleindiertentoonstelling.


Kleurmuis op de kleindiertentoonstelling, het wordt spannend!

Selecteren en huisvesten van showdieren
Bij de selectie van de dieren voor een tentoonstelling wordt gelet op gezondheid, vitaliteit en uiterlijke kenmerken.
Deze dieren worden thuis enkele dagen van te voren geplaatst in een showbakje. De dieren wennen snel aan deze kooi en gedragen zich daardoor op de echte tentoonstelling veel rustiger. Tijdens deze trainingssessies moeten de dieren wel gewoon water en voer krijgen.

Conditioneren
Het spreekt vanzelf dat de dieren die naar een tentoonstelling gaan in perfecte conditie moeten zijn. Zorg dat de pels goed schoon is en strak aanligt en de poten en staart mooi schoon zijn. Hiervoor kan een tandenborstel gebruikt worden.

Papierwinkel
Inschrijven voor een tentoonstelling verloopt volgens de procedure die beschreven is in het vraagprogramma van die tentoonstelling. De plaatselijke kleindiervereniging stuurt haar leden het vraagprogramma ruim van te voren toe.
Vraagprogramma’s van andere tentoonstellingen kunnen bij de betreffende tentoonstellingssecretaris aangevraagd worden. In het vraagprogramma is alle informatie opgenomen over de tentoonstelling.
Is hierbij hulp nodig, ga dan naar een ervaren fokker van een plaatselijke kleindiervereniging.
De tentoonstellingsorganisatie stuurt de inzender kort voor de tentoonstelling de inschrijfbevestiging en de etiketten voor elk dier met het kooinummer.

Verzendmateriaal
De tentoonstellingdieren worden in de showbakjes naar de keuring gebracht.
In het showbakje wordt een beetje zaagsel en een klein plukje hooi gedaan met wat lekkers voor onderweg erin. Het beste is een plakje komkommer/of paprika en een stukje droog brood.
Pas op dat de dieren geen kou vatten of oververhit raken tijdens het transport naar en van de tentoonstelling.
Op elk showbakje wordt het etiket met kooinummer geplakt van de organiserende tentoonstelling.

Dieren naar de tentoonstelling brengen
Kleine knaagdieren worden op de keurdag naar de tentoonstelling gebracht.
De meeste fokkers brengen zelf of met enkele personen samen de dieren naar de tentoonstelling.
De ruimte voor de kleine knaagdieren in de tentoonstellingsruimte is dan al klaar.


Aangekomen op de kleindierententoonstelling

’s Avonds worden de dieren weer mee terug genomen.

Keuringen en -resultaten
Keuringen van kleine knaagdieren zijn publiekskeuringen. Dit betekent dat iedereen, inclusief de bezoekers van de tentoonstelling, de keuringen kan volgen.
In het vraagprogramma staat vermeld welke keurmeester de dieren keurt.
De keurmeester keurt de dieren volgens vaste regels en volgens de vastgestelde standaardbeschrijving. Tijdens een keuring kan veel geleerd worden van de keurmeesters en collega-fokkers.


Gerbil op de keurplank

De beoordelingskaart wordt op het showbakje gelegd, zodat iedereen de beoordeling van elk dier kan lezen. De inzender kan de beoordelingskaarten opvragen om mee te nemen.
Bij de keuring worden eerst de oude dieren (ouder dan een jaar) beoordeeld en de beste daarvan uitgezocht.
Daarna volgen de jonge dieren om uiteindelijk uit de allerbeste dieren de kampioen per diergroep aan te wijzen. Dit betekent de beste bij de tamme ratten, bij de kleurmuizen, de gerbils en de hamsters.

De keurmeester gebruikt de onderstaande predikaten bij de beoordeling met daarbij genoemd de te behalen punten per predikaat:

  • DIS of diskwalificatie; het dier is uitgesloten door een fout van de fokker
  • O of Onvoldoende en 0 punten; de laagste beoordeling voor een dier met een ernstige fout
  • V of Voldoende en 90 punten; het dier beantwoordt nog net aan de standaardbeschrijving
  • G of Goed en 91 of 92 punten; het dier is een matige tot goede vertegenwoordiger van het ras
  • ZG of Zeer Goed en 93, 94 of 95 punten; de punten geven aan dat het om een krappe, een gemiddelde en of royale ZG gaat, waarbij de laatste een hele mooie vertegenwoordiger van het ras is
  • F of Fraai en 96 of 97 punten; het dier en vooral ook het type (vorm) is beoordeeld als fraai, dus in totaal een fraai exemplaar
  • U of Uitmuntend en 98 of 99 punten; dit dier is fraai in type en de meeste overige onderdelen benaderen ook het ideaalbeeld.
  •  


Gewonnen (tamme rat)

Terug in de hokken
Thuis gekomen van de tentoonstelling blijven de dieren nog even in het transport- of schowbakje om bij te komen van de reis. Na een paar uren worden de dieren terug geplaatst in het eigen hok.
Bij groepsdieren wordt eerst wat strooisel of nestmateriaal uit het eigen hok in het showbakje gedaan. Op deze manier wordt voorkomen dat het tentoonstellingsdier als een indringer ruikt en niet wordt herkend.
Bij gerbils is het soms erg lastig om een dier na de keuring weer in de groep te plaatsen. Een methode kan zijn hem of haar een hokgenoot mee te geven in het showbakje. Bovendien wordt voordat de dieren weer terug geplaatst worden strooisel uit het verblijf thuis in het showbakje gedaan.

Fokken

Intro
Bij veel dierenliefhebbers ontstaat na verloop van tijd de wens om jonge dieren is fokken. Niets is zo mooi als ouderdieren met hun jongen. Er is echter ook een maar aan verbonden.
De jonge dieren moeten later ook een hok hebben. Omdat de kleine knaagdieren een geweldige voortplanting hebben, is het ook nodig op voorhand afnemers van deze dieren te zoeken.
Dit kunnen liefhebbers zijn maar ook dierenwinkels. Er is ook enige kennis van het fokken nodig. Is die kennis er niet, dan is het zinvol van te voren op bezoek te gaan bij fokkers.

Keuze van de fokdieren
Niet alle dieren zijn geschikt voor de fok. Fok alleen met dieren die gezond zijn en altijd gezond zijn geweest. Belangrijk is ook te letten op een goed karakter.
Fok ook niet met dieren die een ziekte hebben gehad of geboren zijn uit ouders die ernstige ziektes hebben gehad.
Fokken met dieren die te nauw verwant aan elkaar zijn geeft meer kans op problemen. Deze nauwe teelt brengt aanwezige erfelijke afwijkingen sneller aan het licht.

De gekozen fokdieren moeten ook de specifieke eigenschappen bezitten die bij de soort of het ras horen. Al deze raseigenschappen zijn in de standaard beschreven.
Deze eigenschappen moeten ook bij de jonge dieren terug komen of nog beter worden. Op deze uiterlijke raseigenschappen worden de dieren later op tentoonstellingen beoordeeld. Maar ook als gefokt wordt om een paar jonge dieren erbij te hebben, is het nodig dezelfde zware selectiecriteria te gebruiken, anders verliezen de dieren in de loop van de tijd hun raseigenschappen.

Bevruchting
Tamme ratten zijn geslachtsrijp vanaf vijf tot zes weken. Fokkers wachten minstens tot een week of 16 voordat de dieren worden ingezet voor de fok. De gemiddelde draagtijd is ruim drie weken. De vrouwtjes zijn eenmaal in de vier tot vijf dagen vruchtbaar.

Kleurmuizen voor de fok worden bij voorkeur in koppels gehouden. Het koppelen van de dieren wordt gedaan op een leeftijd van ongeveer 12 weken. De draagtijd is ook ruim drie weken.

Syrische hamsters zijn al op de leeftijd van vier tot vijf weken geslachtsrijp. Het is beter te wachten tot de dieren vijf maanden oud zijn. Het vrouwtje is eenmaal in de vier dagen gedurende enkele uren vruchtbaar of bronstig. Alleen tijdens deze korte periode accepteert zij de aanwezigheid van het mannetje.
Plaats het vrouwtje bij het mannetje en als ze dekrijp is blijft ze na een heftige snuffel- en likpartij stokstijf staan en wordt dan vele malen gedekt. Zodra de dieren geen interesse meer voor elkaar tonen, worden ze van elkaar gescheiden. Succesvolle paringen gebeuren meestal in de avonduren. De draagtijd is maar 16 dagen.

Voor alle kortstaart dwerghamsters geldt dat de vrouwtjes niet voor hun tiende week drachtig mogen worden.
Het koppelen van kortstaart dwerghamsters is meestal geen probleem. Plaats beide dieren in een schone bak met voldoende schuilmogelijkheden. In het begin kunnen er schermutselingen plaatsvinden in de vorm van dreigen, wilde achtervolgingen, beetje ruzie maken etc. Dit is allemaal normaal, zolang er maar geen bloed vloeit.
Gebeurt dit wel, dan worden de dieren uit elkaar gehaald en later nog eens gekoppeld. De draagtijd is afhankelijk van de soort 16-22 dagen.
Langstaart dwerghamsters zoals de Chinese dwerghamsters worden gekoppeld door het vrouwtje in de bak van het mannetje te zetten. Als de dieren elkaar besnuffelen en niet onmiddellijk elkaar aanvallen, is de kans groot dat het vrouwtje vruchtbaar is.
De paring gebeurt dan binnen een dag, waarna de dieren weer worden gescheiden. Wordt er toch direct gevochten, dan moet het vrouwtje weggehaald worden.
De volgende avond kan het nog eens geprobeerd worden.
De vruchtbaarheidscyclus van de Chinese dwerghamster duurt ongeveer vier tot vijf dagen. Dit betekent dat het vrouwtje in één van de vijf volgende dagen wel vruchtbaar is en het mannetje dan wel wordt geaccepteerd.

Gerbils worden het best in een groep gehouden. Het dominante vrouwtje zal als eerste jongen krijgen. Het koppelen van volwassen dieren gaat vaak moeilijk. Het is beter om een jong mannetje te koppelen aan een ouder vrouwtje. De dieren zijn met acht weken geslachtsrijp, maar het is beter te wachten tot ongeveer 20 weken.
Gerbils zijn eenmaal in de zes dagen vruchtbaar. De draagtijd is 20-24 dagen.

Omgaan met drachtige dieren
Liefhebbers die een keer een aantal jongen willen fokken kunnen bij in groepen levende dieren proberen de jongen in deze groep te laten opgroeien. Het mannetje moet wel na de dekking uit de groep worden gehaald, anders komen er veel te veel jongen.

Afwijkend is de fok van de Syrische hamster omdat deze hamster altijd alleen leeft.

De fokkers die veel dieren fokken voor tentoonstellingen brengen de drachtige vrouwtjes vaak onder in een aparte bak, zodat in alle rust de nesten klaar gemaakt kunnen worden. Fokkers houden precies bij welke jongen geboren worden uit welke ouderdieren. Zij volgen ook nauwkeurig de ontwikkeling van de jongen en leren op deze manier welke combinatie van ouderdieren de beste jonge dieren oplevert.

Als er vrouwtjes drachtig zijn wordt het hok goed schoongemaakt en voorzien van extra nestmateriaal zoals hooi, witte papiersnippers en plukjes schapenwol.

Geboorte van de jongen
Jonge tamme ratten worden na 21-24 dagen geboren. De nestgrootte varieert van acht tot twaalf.
Kleurmuizen hebben een draagtijd van 21-23 dagen. Hun nestgrootte ligt tussen de vijf en twaalf.
De Syrische hamsters dragen de jongen maar 16 dagen. De nestgrootte varieert nogal sterk tussen één en vijftien.
De kortstaart dwerghamsters dragen hun jongen 16-22 dagen, afhankelijk van de soort. De nestgrootte schommelt tussen vier en zeven jongen.
De langstaart dwerghamsters hebben een draagtijd van 22 dagen en hun nestgrootte varieert tussen zes en tien jongen.
Gerbils dragen hun jongen, afhankelijk van de soort, 22-24 dagen. De nestgrootte is meestal vijf tot zeven jongen.

Opfokken van jonge dieren
De eerste drie weken na de geboorte wordt het nest niet schoon gemaakt. Het is belangrijk de jongen ongestoord te laten opgroeien. Kleine knaagdieren groeien enorm snel en de jonge dieren gaan al snel in de bak rondscharrelen. Zorg er wel voor dat de jongen, die erg klein zijn, niet uit de bak kunnen ontsnappen.
De zogende vrouwtjes hebben een zware taak te volbrengen, zeker als het aantal jongen nogal groot is. Zij kunnen in deze tijd wel wat extra’s gebruiken in de vorm van een stukje gekookte aardappel, ei, beschuitkruimels, rozijnen of wat kattenvoer.
Een beetje kwark of volle yoghurt vinden ze ook geweldig lekker. Bovendien worden de jonge dieren daar snel handtam van en wennen aan hun verzorger.

Jonge kleine knaagdieren worden gezoogd door hun moeder.
Rond de vijfde week na de geboorte zijn de jongen zo groot dat ze bij de moeder kunnen worden weggehaald. Dit heet het ‘spenen’. In een groepshuisvesting gebeurt het spenen op een natuurlijke manier.
In de fokbakken zorgt de fokker voor het spenen door de jonge dieren in een andere bak te plaatsen.

Continu selecteren tijdens opfok
Fokken betekent ook selecteren.
Jonge dieren worden regelmatig op hun ontwikkeling gecontroleerd. Jonge dieren die niet gelijkmatig opgroeien en/of afwijkingen vertonen worden nooit perfecte vertegenwoordigers van het ras of de soort en moeten niet aangehouden worden.
Door alleen de beste dieren te houden blijft het ras of de soort zuiver, vitaal en met de juiste kenmerken. Dat is ook het doel waarnaar de fokker/liefhebber streeft.

Ziektebestrijding

Intro
Kleine knaagdieren zijn over het algemeen sterke, vitale dieren. Met een goede voeding, verzorging en huisvesting blijven de dieren in prima conditie.
Dit hoofdstuk geeft informatie over het omgaan met zieke dieren.


Deze rat is gezond, maar opletten is nodig

Herkennen en isoleren van zieke dieren
Zieke dieren vallen onmiddellijk op, omdat een ziekte meteen effect heeft op het gedrag.
Een ziek dier kan zijn soortgenoten besmetten en moet dan ook direct apart worden geplaatst.
Zorg voor een schone kooi met alleen een drink- en etensbakje en een klein beetje bodembedekking zodat het zieke dier goed bekeken kan worden. Deze dieren krijgen even geen groenvoer en fruit meer.
Zorg wel voor de meest strenge hygiëne, omdat sommige huidziekten ook besmettelijk voor de mens kunnen zijn.

Welke ziekte is het en wat kun je doen
De eerste symptomen van ziekte van de luchtwegen zijn vaak een uitstaande vacht, in elkaar gedoken zitten, vochtige ogen, een reutelende ademhaling, veel niezen en doffe ogen.
Een verkleefde anusstreek en diarree duiden meestal op een darmaandoening of de zeer besmettelijke ziekte ‘Wet-Tail’. Haaruitval, kale plekjes en veel krabben wijzen op een huidziekte of parasieten.
Met bultjes is het oppassen omdat ze vaak duiden op kanker of onderhuidse ontstekingen. Helaas zijn de kleine knagers hiervoor nogal vatbaar.
Sterk gewichtsverlies en kwijlen kan wijzen op een gebitsafwijking, oververhitting of diabetes.
Rillen, apathie of koorts is vaak het gevolg van oververhitting, shock of longontsteking.

Wordt het ernstig dan is het nodig naar de dierenarts te gaan, bij voorkeur een dierenarts die ervaring heeft met of bereid is om kleine knagers te behandelen.
Reken er op dat de dierenarts veel vragen stelt over het verloop van de ziekte, zodat hij/zij een goede diagnose kan stellen.

Kleine knaagdieren worden bij een goede verzorging en een beetje geluk gemiddeld twee tot drie jaar oud. Oudere dieren eten minder en het is normaal dat er gewichtsverlies optreed. Gedraagt het dier zich verder wel normaal, dan heeft het geen ziekte onder de leden.

Nazorg en herintroductie van het genezen dier
Knapt het zieke dier weer op, dan kan ze weer terug geplaatst worden. Is het dier toch nog verzwakt, dan moet goed in de gaten worden gehouden of het dier weer wordt geaccepteerd.
Is dat niet het geval, dan moet het dier nog verder aansterken en wordt het terugplaatsen later nog eens herhaald.

Als behandeling niet helpt
Mocht de behandeling niet helpen, dan moet het dier uit zijn lijden verlost worden. Kan of wil men dit zelf niet doen, dan is de dierenarts de aangewezen persoon.

Voeding en verzorging

Intro
In de vrije natuur eten kleine knaagdieren alles wat voorhanden is. Het zijn dus echte alleseters.
Kleine knaagdieren in een beschermd milieu moeten uitgebalanceerd voer krijgen om te voorkomen dat de dieren te vet worden.
Dit hoofdstuk geeft in het kort informatie over de voeding van de kleine knaagdieren.


Tamme rat aan de maaltijd

Voeding voor volwassen dieren
De meeste kleine knaagdieren zijn zaad- en graaneters.
Er zijn miljoenen verschillende zaden en granen, die vaak door elkaar vervangen kunnen worden.
In de dierenspeciaalzaken worden mengsels van verschillende zaden verkocht voor de afzonderlijke soorten kleine knaagdieren. Deze mengsels bevatten meestal haver, gerst, rogge, boekweit, maïs, graan, zonnepitten en johannesbrood.
Zonnebloemzaad is echt een lekkernij, maar wel met mate om vervetting te voorkomen. Onkruidzaad is uitstekend bijvoer voor de dwerghamsters.

Deze voeders worden in kleine verpakkingen verkocht en zijn prima voor liefhebbers met enkele dieren. Gemengde voeders kunnen als nadeel hebben dat de kleine knaagdieren selecteren wat ze lekker vinden en de rest laten liggen. Zij hebben dan een ongebalanceerd dieet en dat is ongezond.

Er zijn ook volledige kant-en-klare voeders beschikbaar voor elk soort knaagdier, vaak in geperste korrels. Volledig betekent dat alle noodzakelijke voedingsstoffen die een bepaalde diersoort nodig heeft in het voer zitten.
Het nadeel is dat het eten voor het dier geen afwisselende bezigheid meer is. Ze missen bijvoorbeeld het pellen van de zaden wat voor hen een natuurlijke bezigheid is.
Om met kleine knaagdieren een goed fok- en showresultaat te behalen heeft een volledige brok de voorkeur. Deze volledige brok moet ook vleeseiwit bevatten. Deze brok wordt vaak in grote verpakkingen aangeboden voor de fokker met veel dieren.

Fruit en groenvoer zijn belangrijk voor alle kleine knaagdieren. De smaken verschillen wel.
Dit is ook afhankelijk van wat de dieren van jongs af aan zijn gewend.
Belangrijk is dat groenvoer elke dag wordt ververst. Ook de tuinkruiden en onkruiden als paardedistel, weegbree, vogelmuur, klaver en gras zijn prima voer.
Het bijvoeren van groente of ander groenvoer is bij de hamster zeker gewenst. Hamsters zijn er op gebouwd om een belangrijk deel van hun vochtvoorziening uit groenvoer te halen.

Het bijvoeren van dierlijk eiwit is goed als de dieren geen volledige brok krijgen. Deze brok bevat al dierlijk eiwit. Bijvoeren van eiwit moet met mate gebeuren.
Mogelijkheden zijn vismeelvlokken, stukje gekookt ei, een kattenbrok of een blokje zoutloze kaas.
Dwerghamsters en gerbils lusten op z’n tijd ook graag een meelworm. Die zijn te koop in dierenspeciaalzaken.
De dieren verwennen met andere lekkere dingen mag af en toe, maar dan wel met goede lekkernijen zoals een droge korst brood, een stukje rijstwafel, kale toast of een stukje beschuit. Op rozijnen zijn ze ook dol. Pas op voor noten die erg veel vet bevatten.

Ratten, gerbils en hamsters eten net als konijnen soms hun eigen zachte nachtkeutels op. Op deze manier voorzien de dieren zichzelf van bepaalde aminozuren en de verschillende B-vitamines.

Voeding voor jonge dieren
Kleine knaagdieren zijn zoogdieren, dus de jongen worden door de moeder gevoed met melk. Gaandeweg beginnen de jonge dieren zelf mee te eten van het voer van de volwassen dieren en houdt de melkproductie op.
De jongen eten ook de keutels van de ouders. Naast bepaalde voedingsstoffen krijgen de jonge dieren op deze manier ook de noodzakelijke afweerstoffen binnen.

Voederbakken
Sommige kleine knaagdieren eten keurig uit het voerbakje, maar vooral hamsters vinden hun eigen voorraadkamer het beste bord. Het is veel beter het voer in de kooi te strooien. Dit bootst ook een beetje de natuurlijke situatie na omdat ze op zoek moeten naar het voedsel en dat zorgt ook voor beweging.

Drinkbakken
Er moet altijd drinkwater beschikbaar zijn, ook als de dieren weinig drinken. Het beste is om een glazen drinkflesje op te hangen zodat elk dier, jong of oud er altijd bij kan komen. Staande drinkbakjes zijn ongeschikt, omdat ze meteen volgegooid worden met bodemstrooisel. Jonge dieren kunnen in deze bakjes ook verdrinken.

Omgaan met dieren
Kleine knaagdieren herkennen de stem en de geur van de verzorger. Dit vertrouwen mag nooit beschaamd worden. Kleine knaagdieren die overdag slapen omdat ze nachtdieren zijn, moeten tijdens hun slaap met rust gelaten worden.

Kleine knaagdieren worden in de natuur vaak van boven belaagd door jagers, zoals roofvogels. Benader daarom de dieren nooit recht van boven en laat ze duidelijk met een stemgeluid weten wie er aan komt.
Dan schrikken ze niet en bijten ook niet als afweerreactie.
Niet alle kleine knaagdieren zijn echte knuffeldieren. Ratten zijn dat wel.


Tamme ratten worden erg aanhankelijk

De andere knaagdieren veel minder of helemaal niet. Wel leren alle knaagdieren om wat lekkers uit de hand te eten en daar worden ze tam van.
Ratten, hamsters en gerbils houden er van om zo nu en dan vrij in de kamer rond te lopen en laten zich ook weer gemakkelijk pakken, eventueel met hulp van een beloning (iets lekkers).
Bij loslopende kleine knaagdieren moet er wel op gelet worden dat ze niet op verkeerd materiaal gaan knagen zoals snoeren.
Bestraffen als dat wel gebeurt, heeft geen zin en jaagt het dier angst aan. Ze zullen zich met bijten proberen te verdedigen. Voorkom deze reacties door de dieren altijd op de juiste manier te benaderen.
Gaat het niet goed, dan ligt de fout altijd bij de verzorger.

Voeding voor kleine knaagdieren
Onder de kleine knaagdieren scharen we muizen, tamme ratten, hamsters, degoe’s, chinchilla’s en gerbils. Knaagdieren met elk hun eigen eisen voor een goede voeding.

Complete brok of gemengd voer
Tegenwoordig is er in de dierenspeciaalzaken voor elk soort wel een eigen mengsel verkrijgbaar. Daarnaast zijn er de algemene knaagdiermixen en de volledige grove brokken, die oneerbiedig ook wel laboratoriumbrokken worden genoemd. Wat is nu het beste? Om met kleine knaagdieren een goed fok- en showresultaat te behalen heeft een volledige brok de voorkeur. Voor ratten en gerbils moet deze brok vleeseiwit bevatten en ook bij hamsters is vleeseiwit gewenst. Muizen hebben ook  enig dierlijk eiwit nodig. De laboratoriumbrokken zijn in een grote vorm van tien of twaalf mm doorsnede geperst en zijn daardoor makkelijk op de kweekbakken te voeren. Deze brokken zijn vaak alleen in grotere eenheden verkrijgbaar en daarmee richten de fabrikanten zich op de professionele houders. Gemengde voeders zijn voor hobbyisten met maar enkele dieren het best geschikt. Deze voeders worden over het algemeen in kleine verpakkingen aangeboden. Gemengde voeders kunnen als nadeel hebben dat de dieren gaan selecteren. Met een brok weet u zeker dat ze alles in de juiste verhouding binnen krijgen. Voor een top fokresultaat en een goede groei is het advies daarom om een complete brok te voeren.

Tamme ratten
Ratten in het wild eten zo goed als alles wat ze tegen komen. Ratten hebben een absolute behoefte aan dierlijk materiaal. In het wild voorzien ze hierin door insecten, kleine zoogdieren, maar ook kadavers te eten (vlees en ingewanden van dode dieren).  Als een goede volledige rattenbrok wordt gevoerd, is het bijvoeren van extra vitaminen, mineralen en dergelijke niet nodig of zelfs ongewenst. Overmaat hiervan schaadt! Een goede brok biedt alle bouwstoffen voor groei en onderhoud van het lichaam. Naast eiwitten zijn dit ook vetzuren! Wanneer een goede brok met vleeseiwit wordt verstrekt, bouwt het dier een goede weerstand op en komen gebreksziekten normaal gesproken niet voor.

Gerbils (woestijnratjes)
Voor gerbils geldt in grote lijnen hetzelfde als voor de tamme ratten. Ook Gerbils nemen in de natuur dierlijk materiaal op in de vorm van torren, larven en kleine kadavers. Het verstrekken van een voeding met vleeseiwit is dan ook zeker aan te raden. De kwaliteit van het eiwit in het voer is bij een gerbil met een nestje zeker van belang om zo te voorzien in de noodzakelijke bouwstoffen voor de razendsnelle ontwikkeling van de jongen. Ook bij gerbils heeft een grove brok de voorkeur boven gemengde voeders, zeker als het om fokresultaten gaat. Bij een brok kunnen de diertjes niet gaan selecteren en wanneer er ‘op het gaas’ gevoerd wordt, is het tevens een mooie bezigheid voor de zeer energieke diertjes. Het voeren van (veel) groenvoer of fruit past niet goed bij de gerbil. Van oorsprong komen ze uit hele droge gebieden, ze kunnen daarom met heel weinig vocht leven.
Ratten, gerbils en hamsters eten net als konijnen soms hun eigen zachte nachtkeutels op. Op deze manier voorzien de dieren zichzelf van bepaalde aminozuren en B-vitamines. De jongen zullen ook de keutels van de ouders opzoeken. Naast bepaalde voedingsstoffen voorzien de dieren zich zo ook van noodzakelijke afweerstoffen.

Hamsters
De hamster is qua voeding goed te vergelijken met de rat en de gerbil. Het voer moet overwegend plantaardig zijn, maar voor een goede gezondheid heeft de hamster behoefte aan bepaalde aminozuren (bouwstenen van eiwit) die vooral in vlees voorkomen. In hamstervoer is het type eiwit dat gebruikt wordt daarom van belang. Vlees is weliswaar geen noodzaak, maar het is wel de makkelijkste manier om te voorzien in het type eiwit dat de hamster nodig heeft. Zeker voor groeiende of zogende hamsters is dit eiwit onmisbaar als bouwstof. Van de Chinese dwerghamster is zelfs bekend dat het in de natuurlijke leefomgeving meer dan een kwart dierlijk materiaal eet. Het bijvoeren van groente of ander groenvoer is bij de hamster gewenst. Hamsters zijn er op gebouwd om een belangrijk deel van hun vochtvoorziening uit groenvoer te halen.

Muizen
Kleurmuizen zijn waarschijnlijk de meest voorkomende kleine knaagdieren op de kleindierenshows. De vele kleurvariaties maken dat het populaire knagers zijn. Muizen zijn ten opzichte van ratten veel meer plantaardige eters dan dierlijke eters. Bij muizen komen over het algemeen minder gebreksziekten en minder kannibalisme voor dan bij ratten en hamsters. Als de voeding te vleesrijk is, zal dat onherroepelijk voor veel resteiwit in de mest en daarmee voor een penetrante ammoniaklucht zorgen. Hoewel vleeseiwit niet nodig is voor muizen, is een juiste samenstelling van het eiwit wel van belang. Als het eiwit uit te eenzijdige bronnen komt, kunnen er ook bij muizen conditieproblemen ontstaan. Voor muizen geldt ook weer dat voor goede fok- en groeiresultaten een brok de voorkeur heeft boven een gemengd voer. Voor de liefhebbers met een of enkele muizen kan een eenvoudig gemengd voer volstaan.

Degoe’s
Degoe’s zijn geen moeilijke kostgangers. Ze eten in principe alles, maar de natuur van de dieren ligt overwegend bij plantaardig voedsel. Qua voedingsbehoeften ligt een degoe daarom dichter bij de muis dan bij de eerder besproken knagers. Ook al zijn de dieren niet kieskeurig, toch is het beter ze niet van alles voor te schotelen. In het wild leven ze vrij schraal. Fruit en groente moeten daarom niet te veel en niet te vaak worden gegevent. Bovendien is het raadzaam om degoe’s beperkt te voeren. Op een schraal aanbod komen de dieren het best tot hun recht.

Chinchilla’s
De chinchilla is in vergelijking met de al besproken knagers, het knaagdier dat het meest op plantaardig voedsel is ingesteld. De voedingsbehoefte van chinchilla’s is goed te vergelijken met de voeding voor de muis en de degoe, ook al eten de chinchilla’s oorspronkelijk ander voedsel dan degoe’s en muizen. Chinchilla’s eten eigenlijk uitsluitend plantaardig. In het wild bestaat de voeding uit schrale grassen, schorsen, droge vruchten en wortels van struiken. De standaard knaagdiervoeders voldoen eigenlijk niet goed voor chinchilla’s. Wanneer er te veel granen in het voer zitten, kunnen namelijk problemen met de lever en de nieren ontstaan. Met specifieke chinchillamengsels of chinchillakorrels wordt zeker bij fokdieren een beter resultaat behaald.

Eiwitgehalte
Het eiwitgehalte in de voeders is bij fokkers van kleine knaagdieren nog wel eens een punt van discussie. Er wordt vaak gezegd dat knaagdieren een hoog eiwitgehalte nodig hebben. Het aanbod knaagdiervoeders varieert in eiwitgehalte van 12 tot wel 22%. Het blijkt dat alle kleine knaagdieren met 12 tot 15% eiwit prima te verzorgen zijn. Deopneembaarheid van het eiwit moet dan wel perfect zijn.
Eiwit uit erwten wordt door de knaagdieren anders verteerd dan eiwit uit vlees. De combinatie van de gebruikte eiwitbronnen bepaalt dan ook welk percentage van het aanwezige eiwit kan worden opgenomen. Als de eiwitbronnen te eenzijdig zijn, is het deel eiwit dat niet benut wordt puur balast voor de dieren.
Anders gezegd: het voerverbruik is lager bij een hoogwaardig voer met een optimale eiwitsamenstelling. Bij een lager voerverbruik blijft ook het hok schoner! Niet de hoeveelheid eiwit, maar de samenstelling van het eiwit bepaalt de uiteindelijke kwaliteit en prestaties van de dieren.

De leefruimte van een knaagdier is relatief beperkt. De leefomgeving heeft daarmee een grote invloed op de gezondheid van de diertjes. Een goede hygiëne is dan ook van groot belang. Zeker bij knaagdieren die relatief veel drinken zoals ratten. Uit de keutels komt ammoniak vrij. Ammoniakdamp heeft zijn weerslag op de luchtwegen. Te veel ammoniak in het verblijf maakt de dieren vatbaarder voor ziekten waaronder longontsteking omdat de beschermende slijmlagen in de longen worden aangetast. Bedenk dat de hoeveelheid ammoniak die ontstaat ook van het voer afhangt! Ammoniak ontstaat als gevolg van rottend resteiwit in de mest. Hoe beter de hoeveelheid en soort eiwit in het voer opgenomen wordt, hoe minder ammoniak er vrij komt, hoe beter voor de weerstand van de dieren! Alles hangt met elkaar samen!
 
Hoeveelheid
De ideale hoeveelheid voer is heel moeilijk aan te geven voor kleine knagers. Naast de grote verscheidenheid tussen de verschillende knagers, is er ook nog eens een grote verscheidenheid binnen de diersoorten. Bij de muizen bijvoorbeeld zijn er bepaalde rassen en kleuren die veel makkelijker vervetten dan andere. Voer altijd met de ogen! Geen nieuw voer geven voordat het oude op is. Let er bij hamsters ook op dat ze gaan hamsteren! Het voerverbruik lijkt soms hoog, terwijl ze veel voer mee naar het nest hebben gesleept.
 

Huisvesting

Intro
De huisvesting voor kleine knaagdieren moet aan speciale voorwaarden voldoen. Het zijn immers knagers en de hokken moeten dus knaagbestendig zijn. Belangrijk bij de huisvesting is dat alle kleine knaagdieren van warmte houden. De beste temperatuur is tussen 18 en 21 graden.
Ze kunnen niet goed tegen koude en direct zonlicht. En ze houden zeker niet van tocht en vocht.

De huisvesting wordt ook bepaald door het aantal dieren: gaat het om enkele dieren puur voor de liefhebberij of wordt met kleine knagers gefokt. Dit hoofdstuk geeft richtlijnen voor een goede huisvesting voor kleine knagers voor beide doeleinden.

Hokken
Hokken voor de liefhebber die vaak maar één of slechts enkele dieren wil houden zijn er te kust en te keur. Oude plastic of glazen aquariumbakken zijn geschikt als hok. Er moet wel een goed deksel met ventilatie worden gemaakt. Een houten frame (met het hout aan de buitenkant) met volièregaas voldoet goed.

In grotere aquariumbakken kunnen nog extra plateaus gemaakt worden met trapjes ertussen. Dit geeft meer bewegingsmogelijkheden voor de dieren.
In dierenspeciaalzaken zijn ook prachtige hokken voor kleine knaagdiern te koop, de één nog mooier dan de ander. Een voorwaarde voor elk hok is dat de dieren zich erin kunnen uitleven en dat het hok gemakkelijk schoon gemaakt kan worden. Dit soort hokken kan een handige doe-het-zelver ook zelf maken.

Hokken bij fokkers van kleine knaagdieren zien er meestal anders uit. Groepshuisvesting zoals hierboven bescheven is uitstekend als de dieren niet voor de fok gebruikt worden. Deze hokken zijn ongeschikt als er fokkoppels gevormd worden.
Fokkers gebruiken hiervoor meestal kleinere plastic of kunststoffen bakken.


Even kijken buiten het hok

Prima geschikt hiervoor zijn curverboxen die te krijgen zijn in verschillende maten. De bakken worden door een ijzeren of hardplastic rooster afgedekt. In dit rooster is een houder gemaakt waarin een drinkfles past. Ook is er een soort ruif ingebouwd waarin knaagdierenbrokken kunnen worden gedaan.

Een serieuze fokker heeft een behoorlijk aantal bakken op voorraad. Daarin worden de fokkoppels geplaatst en later zijn er ook bakken nodig om de jonge dieren te laten opgroeien.
In een goede stellage kunnen op deze manier veel hokken in een beperkte ruimte geplaatst worden.
Voor de fok zijn deze kleinere bakken prima. Voor de liefhebber zijn ze dat niet, omdat de dieren minder goed zijn te bekijken.

Bodembedekking
Kleine knaagdieren hebben graag een dikke laag bodembedekking, zodat ze erin kunnen graven of wegkruipen.
Geschikt materiaal is grof zaagsel (geen fijn zaagsel dat te veel stuift), gehakseld stro, kort gekipt hooi, kattenbakkorrels (geen grit), fijne beukenhoutsnippers, maispulp. Mengsels hiervan mogen ook.
Krantenpapier is minder geschikt omdat de inkt giftig kan zijn.
De vier groepen kleine knaagdieren hebben op dit gebied elk wel eigen wensen.

Ratten verdragen zaagsel minder goed. Zij krijgen last van het stof van zaagsel en ontwikkelen een chronische ademhalingsstoornis.
Hamsters en gerbils hebben graag een dikke laag bodemstrooisel, omdat ze verzot zijn op graven. Dit hoort bij hun natuurlijke gedrag.
Kleurmuizen produceren veel urine en een dikke laag bodembedekking bevalt het best. Soms mengen fokkers nog wel eens extra turfmolm door het strooisel. De laag strooisel moet minstens vijf tot zeven cm dik zijn
Mannelijke muizen ruiken sterk omdat ze met urine hun geursporen plaatsen. De ervaring heeft geleerd dat muizen waarvan alleen het zaagsel wordt verschoond, veel minder ruiken. Ze hoeven niet opnieuw hun geur af te zetten. De bak ruikt al bekend.

Ratten, hamsters en gerbils willen vaak hun behoefte wel doen in een speciaal toiletbakje gevuld met schoon zand. Deze toiletbakjes zijn in de dierenwinkel te koop.
Hamsters en gerbils willen ook graag zand hebben, zij nemen er een bad in. Dit is normaal omdat hun natuurlijke omgeving vooral bestaat uit droge zanderige gebieden.

Inrichting
Alle kleine knaagdieren moeten zich kunnen terug trekken. Dit is ook natuurlijk gedrag. Vele kleine knaagdieren slapen in een holletje onder de grond. Zij moeten die mogelijk ook krijgen in hun hok of bak.
Er zijn vele mogelijkheden te bedenken: houten hokjes waar ze in kunnen kruipen, toilet- of keukenpapierkokers, kleine bloempotten, kleine kartonnen dozen (verpakkingen), oude kinderschoenen/pantoffels en dergelijke.
Ook klimmogelijkheden zijn interessant voor de dieren, zoals de al genoemde plateaus in de grotere bakken, maar ook stukken gifvrije takken zoals van de wilg en fruitbomen
Kleine knaagdieren willen graag overal achter, in en onder kruipen.
Iedereen kan wel een aantal leuke mogelijkheden bedenken.

Lekker slapen

De bekende loopwielen zijn dan echt niet nodig. De dieren kunnen een neurose ontwikkelen en knaagdieren met een langere staart kunnen vast komen te zitten.

Kosten: kopen of zelf maken
Handige doe-het-zelvers kunnen prachtige en goedkope hokken voor kleine knaagdieren maken. Oude (vaak lekke) aquaria zijn bijna voor niets te krijgen.
Kortom, de mogelijkheden zijn legio.
Maar zorg voor goede ventilerende en afsluitbare deksels. Iedere knaagdierenliefhebber heeft wel eens een ontsnapping meegemaakt.
Fokkers hebben een aantal kleinere hokken nodig om de fokkoppels te houden. Hiervoor zijn geschikte kunststoffen bakken te koop.