Hoenders: Termen

Aanslag: een al of niet gewenste kleurbijmenging in veren, snavel of loopbenen.

Axiaal pen: kortere verbindingsveer tussen de grote en kleine slagpennen.

Baard: groep veren, die rondom de keel groeien; meestal wordt de baard door de nog min of meer aanwezige kinlellen verdeeld in een baard en twee bakkebaarden, meestal meer ontwikkeld bij de hen dan bij de haan; hoe krachtiger de baard is ontwikkeld, hoe minder de kinlellen dit zijn; een sterke baardontwikkeling gaat bijna altijd gepaard met een achterwaartse groei van de bovenste halsveren.

Baarden: veerstructuur van de veerrand, ook wel franje genoemd.

Bakkebaard: achterwaarts gerichte groep veren die aan weerszijde van de meer of minder nog aanwezige kinlellen groeit.

Bantam: een in Nederland in onbruik geraakt woord voor krielhoen; in het verleden werden Java krielen aangeduid met Bantams.

Been: bestaande uit dijbeen , onderdijbeen, loopbeen en tenen; loopt in lengte, dikte, kleur en aantal tenen uiteen.

Beenbevedering: veren groeiende aan het onderdijbeen, loopbeen en tenen. Bef: ongetekend veergedeelte onder de snavel.

Bek: hoornachtige monduitsteeksels, bestaande uit boven- en ondersnavel.

Bekerkam: een kam, welke stevig op het midden van de schedel rust; begint als enkele kam boven de snavel om zich daarna te splitsen en van achteren rond te gaan, zodat door de kamtanden een soort kroon wordt gevormd.

Bijsikkel: gebogen, min of meer sikkelvormige staartdekveer bij de haan.

Bladerkam: een samenstel van twee kleine enkele kammen, getand, met bladachtige randen.

Bolstaart: ontbreken van de staartpennen en bij hanen bovendien van de sikkels (veroorzaakt door ontbreken van het staartbeen). Het einde van de rug wordt afgedekt door zadelbehangveren resp. zadelkussenveren.

Broek: overdadige losse bevedering van dijen en achterdeel.

Buff: aan het Engels ontleende benaming voor warm goudgeel, een kleur voorkomende bij verschillende hoenderrassen, welke niet zo diep is dat ze roodachtig aandoet, noch zo licht, dat ze koperachtig of lichtgeel uit ziet.

Bultrug: gebogen rug (veroorzaakt door misvorming van heupbeen of bekken).

Conditie: gezondheidstoestand waarin het dier zich bevindt.

Conditioneren: in tentoonstellingsvorm brengen van rashoenders door aanwending van geoorloofde verfraaiingmiddelen.

Dakstaart: horizontaal ingeplante staartstuurveren; bij de meeste rassen een fout.

Diskwalificatie: straf toegepast op fokkers of dieren, hetzij wegens het toepassen van ongeoorloofde middelen bij het exposeren met het oog om prijzen te winnen of een hogere prijs te bedingen, hetzij een fout waardoor een dier van een bekroning wordt uitgesloten.

Dons: eerste bevedering van jonge kuikens; soort vedergroei, welke aan iedere veer, dicht bij de huid van het hoen, voorkomt.

Donspartij: zachte veren rondom buik en achterdeel van het hoen; ook wel de donsachtige veren bij de dijen of het zachte, donsachtige gedeelte van de veren.

Doorbroken halstekening: schachtstreeptekening die doorloopt in de buitenzoom.

Draaiveer: veer met om de lengteas gedraaide schacht.

Drie-bogen-lijn: lijn van hals (gebogen), rug (gebogen) en staart, hangend en gebogen bij Maleiers en de krielvorm van dit ras.

Driedelige baard: baard, die bestaat uit twee bakkebaarden en daartussen een kinbaard. Een duidelijke afscheiding tussen de drie baardgedeelten is waarneembaar.

Dubbelgezoomd: tekening bestaande uit een brede randzoom en een smallere binnenzoom, evenwijdig aan de randzoom.

Duimveer: veer groeiende aan het verst van het lichaam verwijderde deel van de vleugel .

Dwerghoen: andere naam voor krielhoen.

Dijbeen: gedeelte van het been lopende van het bekken tot het kniegewricht.

Eekhoornstaart: staartdracht ten opzichte van de ruglijn groter dan 90°

Eendevoet: binnenwaartse stand van de vierde- of achterteen.

Eenkleurig: gevederte van een kleur; bij hoenders voorkomend in buff, zwart, effen blauw en rood (hoewel met enkele zwarte veren) en wit (en dus over het gehele lichaam zonder pigment).

Enkele kam: kam bestaande uit een enkele, vleesachtige, getande kamformatie, zich uitstrekkende van de snavelbasis achterwaarts over de schedeltop.

Erwtenkam: drierijige kam van middelmatige grootte, bestaande uit drie rijen erwtvormige verhevenheden op de kambasis; de middelste is de hoogste en toont de krachtigste verhevenheden.

Evolutie: geleidelijke vorming of omvorming.

Exchequer: zwart-witte veerkleur, asymmetrisch ten opzichte van de veernerf, waarbij het wit overheerst over het zwart, derhalve de meeste plaats inneemt. Komt voor bij de Nederlandse Leghorns, die dan als zwartbont tentoongesteld worden.

Fazantachtige staartdracht: lage, achterwaartse staartdracht.

Fokker: degene, die strikt genomen de bezitter is van de dieren, uit welker eieren hij de nakomelingen daarvan heeft gefokt; verder volgens een algemeen aanvaard begrip degene, bij wie de nakomelingen uit eieren al of niet van eigen dieren zijn geboren en grootgebracht.

Foktoom: toom waarvan de samenstelling is geschied met het oogmerk om er goede nakomelingen van te verkrijgen.

Flitter: omzoming van de veren bij patrijs goudflitter, blauwpatrijs goudflitter en zilverpatrijs zilverflitter Leghorns. Is bij deze kleurslagen een eis. Flitter komt ook voor als fout, nl. bij patrijs en zilverpatrijs hennen.

Franje: veerstructuur van de veerrand, ook wel baarden genoemd.

Fraude: ongeoorloofde handeling bij het conditioneren en exposeren van hoenders, welke gestraft wordt met diskwalificatie van het betrokken dier of al de ingezonden dieren van de overtreder en in ernstige gevallen met diskwalificatie van de overtreder voor kortere of langere tijd.

Geband: in het Vlaamse gedeelte van België veel gebruikte aanduiding voor een zware pelling zoals die bij Braekels voorkomt. De donkere banden zijn driemaal zo breed als de lichte.

Gebroken schachtstreeptekening: een onderbroken schachtstreeptekening die bij de Welsumers een kenmerk, en bij andere rassen met schachtstreeptekening een fout is.

Gedoken type: houding van een hoen, waarbij de bovenzijde van de kam op een lijn ligt met de bovenkant van de staart.

Geloverd: tekening bestaande uit een ovale of peervormige vlek aan het einde van de veer.

Gemarmerde ogen: onregelmatig gekleurde iris.

Generfd: veerschacht van het veerachtige gedeelte van de veer, welke lichter of donkerder is dan de kleur van de vanen; soms een standaard eigenschap, meestal een fout.

Gepareld: tekening bestaande uit een klein ruit- of parelvormig vlekje aan de punt van de veer.

Gepeld: tekening bestaande uit bandjes, die dwars over de veer lopen en in breedte, fijnheid en aantal bij de verschillende gepelde variëteiten niet onbelangrijk uiteen lopen, of symmetrisch aan weerszijden van de schacht geplaatste vlekjes.

Gepeperd: heel fijne zwarte puntjes op bvb. patrijs getekende hennenveren; bij enkele kleurslagen een raskenmerk en bij sommige kleurslagen, zoals goud- en zilvergezoomde, goud- en zilvergeloverde (hoofdzakelijk voorkomende in de staart) een fout.

Gespleten borst: borstbevedering die een duidelijke scheiding in het midden vertoont.

Gespleten kuif: kuif die een duidelijke scheiding in het midden vertoont.

Gespleten vleugel: vleugel waarbij tussen de grote en kleine slagpennen een opening aanwezig is.

Gestreept: tekening, bestaande uit strepen of banden, welke dwars over de veer lopen.

Getand: insnijdingen van het kamblad als de tanding van een zaag.

Getekend: gevederte van meer dan een kleur; hiertoe behoren alle andere kleurslagen en ook gezoomd blauw.

Getipt: (zie gepareld).

Getoept: een enigszins afwijkende lovertekening.

Gevlekte veer: veer met onregelmatig dooreengemengde kleuren.

Gezicht: naakte of nagenoeg naakte huid aan de kop van het hoen rondom en beneden de ogen.

Gierhak: een groep lange stijve en gesloten veren welke aan de buitenzijde van de benedendijen groeien en achterwaarts naar beneden staan gericht; een fout bij sommige vedervoetige rassen, een raskenmerk bij enkele andere. De gierhak komt alleen bij vedervoetige hoenders voor.

Gloed of glans: bijzondere "levendigheid" van het gevederte, waardoor schittering aan de bovenkleur wordt gegeven.

Hak: hielgewricht.

Halsbehang: de gezamenlijke lange, smalle veren, welke bij de haan aan de nek groeien.

Halskraag: halsbehang van de hen ; soms ook de volle. dikke halsbevedering aanwezig bij hanen van zachtvederige, donsrijke rassen en bij die met sterke baardvorming .

Halsveer: lange, smalle, puntige sierveer, groeiende aan de hals van de haan.

Hanenfok-hen: hen geschikt om hanen van te fokken van standaardtype en tekening.

Hanenfok-toom: toom samengesteld voor het fokken van hanen die aan de standaardeisen voldoen.

Hanen-kleurige hen: een bij weinig rassen voorkomende overmatige ontwikkeling van sierveerglans bij hennen, of bij goudflitter Leghorn-hennen; dit verschijnsel gaat steeds gepaard met min of meerdere hanen-vederigheid.

Hanen-vederige hen: een bij weinig rassen voorkomende overmatige ontwikkeling van de sierveren van de hen; soms een fout, soms een raskenmerk.

Hangkam: kam, welke naar een zijde overhangt.

Hangvleugel: los tegen het lichaam gedragen vleugel met vleugelpunt beneden het horizontale; een fout bij zware en middelzware rassen; eerst dan een fout bij lichte en krielrassen, wanneer de vleugel nog lager wordt gedragen dan bij het betrokken ras wordt verlangd.

Hard: eigenaardige vaste, hard aanvoelende spierontwikkeling en glad aanliggende, weinig donsachtige bevedering, welke bij vechthoenderrassen wordt vereist.

Helmkuif: uit recht omhoog staande veren samengestelde kuif.

Hennenfok-haan: haan geschikt om hennen van te fokken van standaardtype.

Hennenfok-toom: toom samengesteld voor het fokken van hennen. die aan de standaardeisen voldoen.

Hennen-kleurige haan: hanen-bevedering, welke gelijkt op die van de hennen van de betreffende kleurslag; deze eigenaardigheid gaat als regel gepaard met een meerdere of mindere mate van hennen-vederigheid.

Hennen-vederige haan: hanen-bevedering, welke nagenoeg gelijkt op die van de hennen.

Hoefijzertekening: zoomtekening beperkt tot het einde van de veren.

Hoornkam: bestaat uit twee opwaarts gerichte kegelvormige hoorntjes.

Hoornkleur: kleur van bek en nagels, meestal donker bij donkergekleurde variëteiten en licht bij lichtgekleurde variëteiten.

Houding: lichaamsdracht of -stand van een hoen.

Iris: regenboogvlies van het oog; de kleur ervan bepaalt de oogkleur.

Kalkbenen of kalkpoten: korstvorming en ogenschijnlijk kalkachtige ontwikkeling op en tussen de schubben van loopbeen en tenen, veroorzaakt door kalkpootmijten.

Kam: vleesachtige ontwikkeling boven op de kop van het hoen; er bestaan verschillende kamsoorten, terwijl sommige van die kamsoorten nog weer in verschillende vormen en grootten voorkomen bij hoenders.

Kambasis: gedeelte van de kam boven op de schedeltop.

Kamblad: deel van de enkele kam dat zich bevindt tussen de basis en de onderkant van de kamtanden.

Kambult: ongewenste verhevenheid op of aan de kam.

Kamdoorn: doornvormig uitsteeksel dat zich achter aan de rozekam bevindt; lang of kort, recht of gebogen, rond of langwerpig in doorsnee, al naar de eisen van het ras.

Kamfront: gedeelte van de kam boven snavel en voorhoofd.

Kamhiel: achterste gedeelte van de enkele kam, gewoonlijk voorbij het achterhoofd stekend.

Kamtanden: puntige uitsteeksels, welke zich boven aan de kam bevinden; hun aantal varieert van 3 tot 9 stuks, bij de meeste rassen worden 5 tot 6 kamtanden verlangd.

Kamvouw: vouw in enkele kam boven de snavel.

Kamwerk: uitmonstering van het kamoppervlak.

Kapoen: gecastreerde haan, welke gemakkelijk van een gewone haan is te onderscheiden door de geringe ontwikkeling van kam en kinlellen, de geringe ontwikkeling van hals- en zadelbehang en lage staartdracht.

Karperrug: gebogen rug bij hoenders, veroorzaakt door te sterke buiging van benedenrug of kruisbeen. Steeds als diskwalificerende fout te beschouwen, uitgezonderd bijvoorbeeld bij Bergse Kraaiers.

Keelwam: afhangende huidontwikkeling aan de keel; bij Europese rassen weinig en bij sommige Aziatische rassen zeer sterk ontwikkeld.

Kinbaard: kleine baard van wang tot wang lopende, juist de keel bedekkend.

Kinlel: afhangende vleesformatie ter weerszijden van de snavelwortel.

Kleine sikkel: gebogen, min of meer sikkelvormige staartdekveer.

Kleurslag: aanduiding met ongeveer dezelfde betekenis als variëteit, doch alleen

geldend voor verschillen voortvloeiend uit kleur of tekening.

Kniegewricht: verbinding vormende tussen het dijbeen en het scheenbeen (dit laatste niet te verwarren met het loopbeen).

Koekoek: onscherpe, onregelmatige bandtekening. waarvan de lichtere tekening min of meer verloopt in de donkere grondkleur; door teeltkeuze is hieruit de streeptekening voortgekomen.

Kop: lichaamsdeel, bestaande uit schedel en gezicht, waaraan kam, kuif, bek, kinlellen en oorlellen voorkomen.

Kraagveer: rugveer tussen de schouders, schuilgaande onder de veren van het halsbehang zowel als halsveer bij hen.

Krop: verzamelplaats voor het voedsel van het hoen, voordat dit in de maag komt.

Kruissnavel: snavelmisvorming, waarbij de punt van de bovensnavel naast die van de benedensnavel naar beneden buigt.

Kruisvleugel: afwijkende vleugeldracht veroorzaakt door te laag gedragen kleine slagpennen bij gesloten vleugel.

Krulveer: veer welke geheel of gedeeltelijk is gekruld.

Kuif: kroon of bos veren boven op de kop van het hoen, in veel gevallen ingeplant op het vel dat over een zgn. kuifknobbel gespannen zit; hoe groter de kuifknobbel, hoe groter de kuif en hoe kleiner de kam.

Leiblauw: grijsachtig blauw, een kleur, die ontstaat door een gelijkmatige verdeling van zwarte kleurstofdeeltjes over de kleurloze (witte) structuur van de veerbaarden.

Liefhebber-fokker: fokker, die zich voor zijn genoegen bezig houdt met de teelt van dieren.

Loopbeen: geschubd gedeelte van het been, lopende van de hak tot de tenen; loopt in lengte en dikte uiteen bij verschillende rassen.

Loopbeen bevedering: veren, welke aan de buitenzijde van het loopbeen groeien.

Manenvorming: min of meer achterwaarts gegroeide halsveren.

Meerzomig: veertekening waarbij drie of vier zomen evenwijdig aan de veerrand lopen .

Miskleur: iedere kleur of glans, niet in overeenstemming met die, voorgeschreven in de standaard voor het desbetreffende deel van het gevederte.

Mistekening: iedere tekening, niet in overeenstemming met die voorgeschreven in de standaard veer het desbetreffende deel van het gevederte, hetzij door afwijkende vorm van de tekening, te geringe of overdreven sterkte daarvan.

Mutatie: plotseling verschijnen of wegvallen van kenmerken.

Naveldoorn: onvoldoende uitgegroeide kamdoorn.

Nekkuif: kleine kuif, welke achter de kam groeit en niet op een kuifknobbel is geplaatst.

Nerf: veerschacht.

Neusgat: opening aan weerszijden van de snavelbasis en van daar lopend naar de kop, sterk vergroot en meer open bij hoenders met kuifknobbel.

O-benen: misvorming, waardoor de benen bij het kniegewricht te wijd uit elkaar staan en daaronder zich binnenwaarts richten.

Onderdijbeen: zgn. scheenbeen met kuitbeen, lopende van kniegewricht tot hak.

Oorlel: meestal verkort oor genoemd, een formatie van naakte huid juist beneden de ooringang of gehoorgang; het oorlel varieert sterk in grootte, vorm en kleur bij de verschillende rassen; langwerpig, ovaal of rond; rood, wit, roomgeel, blauwachtig of purper.

Overjarig: hoen ouder dan een jaar.

Pareloog: oog met zeer lichte, vrijwel witte iris.

Pareltekening: klein vlekje op het einde van de veer.

Patrijs: wildkleur van het Bankivahoen; ongewijzigd of gewijzigd.

Peltekening: zie gepeld.

Pigment: door het bloed voortgebrachte kleurstof, welke waarneembaar is in de kleur van veren, huid, loopbenen, snavel, teennagels en ogen.

Primaire of grote slagpennen: langste vleugelveren, groeiende tussen duimveren en kleine slagpennen; niet zichtbaar bij gesloten vleugel.

Profiel: zijaanzicht van een hoen; de gebruikelijke wijze van waarneming bij beschrijving en uitbeelding.

Pupil: opening van het oog midden in de iris.

Purperglans: paarse tot roodachtige gloed bij zwart gevederte.

Roest: gele of rode aanslag bij verschillende getekende kleurslagen.

Roetrug: te donkere rugveren als gevolg van een te zware pepering. Romp: hoofddeel van het lichaam, waaraan de ledematen zitten.

Rozekam: stevige, lage kam van boven bedekt met kleine ronde verhevenheden, boven kussenachtig, rond of vlak; in type, hoogte, fijnheid van de verhevenheden ("werk") en kamdoornvorm uiteenlopend bij verschillende rassen.

Rugkussen: zie zadelkussen.

Rui-geel: geelachtige tint van het wit bij nog niet geheel uitgeruide witte veren.

Rijk: (wanneer betrekking hebbend op kleur) zuiver, levendig, vol.

Schacht: holle, hoornachtige steel van de veer.

Schachtstreeptekening: tekening in hals en zadel.

Schakelpen: zie axiaalpen.

Scheve rug: veroorzaakt door misvorming van het bekken.

Scheve staart: steeds naar een kant gedragen staart.

Schimmel: schimmelachtige aanslag in gezichtshuid of kleurverdunning in de veren. Schouderboog: zie vleugelboog.

Secundaire of kleine slagpennen: lange, brede vleugelveren, welke groeien tussen het eerste en tweede gewricht van de vleugel, dichtst bij het lichaam; zichtbaar bij gesloten vleugel.

Sikkelveren of sikkels: lange gebogen veren van de hanenstaart; naam ook toepasselijk op de voornaamste van de dekveren, de kleine sikkelveren.

Spitskuif: kleine kuif, waarvan de veren hoofdzakelijk opwaarts groeien en zijdelings platgedrukt zijn.

Spleetkam: enkele kam, welke verticaal door over elkaar schuiven van het kamblad ten gevolge van een staande plooi in tweeën wordt gedeeld.

Spleetstaart: staart met duidelijke opening aan de wortel van de staartstuurveren, ontstaan door niet normale bevedering, beschadiging of wangroei van de staartveren .

Spleetvleugel: vleugel zo onregelmatig gevormd, dat een duidelijk waarneembare opening tussen grote en kleine slagpennen ontstaat terwijl alle pennen aanwezig zijn.

Spoor: hoornkleurig uitsteeksel, groeiende aan de binnenzijde van het loopbeen, knopvormig of gepunt, al naar gelang leeftijd en geslacht van het dier; meerdere ontwikkeling van de sporen bij hennen dan het nauwelijks zichtbare spoorbeginsel geldt als een fout, uitgezonderd Belgische vechthoenders.

Stoppels: veren, die gedeeltelijk doch niet geheel zijn uitgegroeid; kleine veertjes soms voorkomende tussen de tenen en aan de buitenzijde van het loopbeen.

Symmetrie: volmaaktheid van verhouding ; harmonie van alle delen van het hoen als geheel bezien in verband met het standaardtype van het vertegenwoordigde.

Tanden: V-vormige insnijding van het kamblad van een enkele kam.

Teen: normaal vier in aantal, voorzien van een nagel; buitenteen, middenteen, binnenteen en achterteen. Indien een vijfde teen aanwezig is, bevindt deze zich aan de achterzijde van het loopbeen boven de achterteen, vrij van de grond en zonder enige nuttige betekenis. Bij sterk vedervoetige rassen is de bevederde buitenteen korter en zwakker dan normaal.

Teenvlies: klein vlies tussen de tenen.

Tentoonstellingsconditie: de hoedanigheid waarin het dier zich bevindt.

Toom: haan met drie of meer hennen van hetzelfde ras, dezelfde kleur en variëteit: op de tentoonstellingen worden meestal tomen van een haan en vier hennen gevraagd (1-4), soms met zes hennen (1-6).

Trio: haan en twee hennen van hetzelfde ras, kleur en variëteit.

Uitgezakte vleugel: hoendervleugelwelke niet voldoende is gesloten en niet in de gewenste houding wordt gedragen; een fout voorkomende door beschadiging of misgroei van de veren of door slapte van de spieren.

Vaan: vederachtige groei ter weerszijde van de veerschacht.

Vedervoetig: uitdrukking om aan te duiden, dat een ras veren aan loopbenen en tenen heeft; de mate van vedervoetigheid loopt uiteen van slechts enkele veertjes aan de buitenzijde van het loopbeen tot een volle. dichte bevedering van loopbeen, buitenteen en middenteen.

Veer: formatie bestaande uit schacht met vanen; deze laatste worden gevormd door baarden; de hoedanigheid van de veer is afhankelijk van de volkomenheid waarmede de "baarden" in elkaar grijpen. Wanneer de weerhaakjes aan de "baarden" onvolledig zijn, krijgt het gevederte een rafelachtig, franjeachtig of gekruld voorkomen .

Vijfde teen: bij sommige rassen een gewenst kenmerk.

Visoog: grijsgrauw gekleurd oog; ziekelijk oog.

Visrug: zie karperrug.

Vleugelband: streep of band, dwars over het midden van de vleugel lopend, gevormd door kleur of tekening van de grote vleugeldekveren.

Vleugelboeg: voorste hoek van de vleugel bij de schouders.

Vleugelboog: bovenste deel van de vleugel, beneden schouder en vleugelboeg en boven de vleugelband .

Vleugeldekveren: kleine glad aanliggende veren, welke de buiging van de vleugel, zowel als de basis van de kleine slagpennen bedekken.

Vleugeleinde: ongeveer driehoekig gedeelte van de vleugel beneden de vleugelband, gevormd door het zichtbare gedeelte van de kleine slagpennen, wanneer de vleugel is gesloten

Vleugelpunt: einde van de grote slagpennen.

Vorktand: kamtand waar twee punten op een basis zijn gegroeid.

V-vormige kam: kam bestaande uit twee hoornvormige gedeelten.

Walsvormig : type aanduiding.

Warkuif: kuif met onregelmatig groeiende, naar alle zijden wijzende veren.

Webvoet: te groot teenvlies.

Weerschijn: prismatisch kleurenspel.

Werk: kamwerk; uitmonstering van het kamoppervlak.

Wikkelkam: kamfront dat naar beide zijden valt.

X-benen: een binnenwaartse beenstand, waardoor de hakken tegen elkaar worden gedrukt en de loopbenen zich naar beneden buitenwaarts richten.

Zadel: einde van de rug van de haan, lopende tot de staart en bedekt door zadelveren.

Zadelbehang: puntige veren, die aan weerszijden van het zadel afhangen.

Zadelkussen: een groep veren aan het benedeneinde van de rug van de hen; gedeeltelijk aansluitende aan de dubbele rij staartdekveren.

Zadelveren: lange, smalle, puntige veren, welke bij de haan op het zadel groeien

Zoming: bredere of smallere zoom in kleur afwijkende van de rest van de veer; hetzij geheel rondom de veer, hetzij alleen om het onderste gedeelte van de veer lopende.

Zijdevederig: veren waarbij de haakjes aan de baardjes ontbreken, waardoor het gevederte min of meer op "beharing" lijkt.

Zijsprank: duidelijke aanwas aan hiel, doorn of andere delen van de kam.