Fokken

Intro
Bij veel dierenliefhebbers ontstaat na verloop van tijd ook de wens om jonge dieren te gaan fokken.
Niets is zo mooi als ouderdieren met jongen. Het is een geweldige ervaring om jonge dieren geboren te zien worden en daarna het opgroeien dagelijks te volgen. Er is echter ook een ‘maar’ aan verbonden. Er is wel kennis voor nodig. Wil men bovendien jonge dieren fokken die zoveel mogelijk het ideale beeld benaderen dan vraagt dat ook weer extra kennis.
Er moet ook voldoende ruimte zijn voor de jonge dieren en niet alleen als ze nog klein zijn, maar ook later als ze volgroeid zijn. Is deze ruimte er niet, dan ontstaat er al snel overbevolking met alle problemen van dien.
Begin er dan (nog) niet aan en zorg eerst voor voldoende hokken voor de jonge dieren.

Keuze van de fokdieren
Het fokken begint bij de selectie (keuze) van de ouderdieren. Zij moeten kerngezond en vitaal zijn en een actief gedrag vertonen. Een tweede belangrijk criterium vormen de uiterlijk kenmerken die behoren bij de soort of het ras.
Al deze kenmerken zijn beschreven in de caviastandaard die wordt uitgegeven door de NKB (Nederlandse Konijnen-, cavia- en knagersliefhebbers Bond).

Aan al deze in de standaard beschreven kenmerken moeten de fokdieren zo veel mogelijk voldoen. Maar ook als alleen gefokt wordt om een paar jonge dieren erbij te hebben is het nodig dezelfde selectiecriteria te gebruiken, anders verliezen de dieren in de loop van tijd hun soort- of raseigenschappen.
Geen enkel dier is volmaakt. Dieren met dezelfde tekortkomingen mogen nooit aan elkaar gepaard worden. Daarmee worden de fouten in de stam vastgelegd.

Bevruchting
Cavia’s die in een goede conditie zijn kunnen wel drie tot vier keer per jaar jongen krijgen.
Er kan in elk jaargetijde met de cavia worden gefokt. Wel is het belangrijk bij de geboorte en opgroei van de jongen te letten op een goede omgevingstemperatuur.
Met een gezonde zeug kan ongeveer drie jaar gefokt worden. Beren kunnen langer ingezet worden voor de fok. Het is beter om de beren in productie te houden en niet te lang uit de fokkerij te houden.
Fokstellen moeten in een goede conditie zijn, maar niet te dik, omdat er dan vaak geen bevruchting plaats vindt. Aan het eind van de dracht geeft vervetting ook kans op zwangerschapsvergiftiging.

De normale leeftijd om een zeug in te zetten voor de fok is vanaf vijf maanden. Ze moeten in ieder geval hun eerste jongen gehad hebben voordat ze een jaar oud zijn. Bij een oudere zeug die nog nooit jongen heeft gehad is het bekken zo uitgehard, dat ze bij het werpen moeilijkheden kan krijgen met het passeren van de jongen door het bekken.
De zeug is eens in de zestien dagen bronstig. Tijdens de korte periode van bronst breekt het vlies dat anders de vagina afsluit, waardoor een dekking kan plaats vinden. Na de dekking wordt de vagina met een dekkingsprop afgesloten.
Over het algemeen paren jonge dieren veel sneller dan overjarige dieren. Omdat men nooit weet wanneer een zeug is gedekt, is het moeilijk de juiste geboortedatum te bepalen.
Als de beer bij de zeug wordt gehouden, kan ze binnen 24 uur na de geboorte van de jongen weer gedekt worden.

Geboorte
Pas op 3/4 deel van de dracht begint de zeug een buikje te krijgen.
De dracht is relatief gezien erg lang en duurt tussen de 65 en 70 dagen, afhankelijk of de zeug nog een nest aan het voeden is. Ook het aantal jongen in wording is van invloed op de lengte van de dracht.
Goede voeding, rust en een verdubbeling van vitamine C is een noodzaak om de dracht tot een goed einde te brengen.

Opfokken van jonge dieren
Meestal is de grootte van de worp twee tot drie jongen. De zeug heeft twee tepels en zoogt de jongen. Bij de geboorte hebben de jongen hun ogen al open, kunnen direct lopen en hebben al een volle vacht.

De jonge cavia’s eten na een dag ook al mee uit de voerbak. De jonge cavia’s blijven vier tot zes weken bij de moeder en worden dan gespeend. Tegen die tijd wegen ze al 300 gram.


Driekleur zeug met jongen

Jonge beertjes moeten op die leeftijd zeker uit de bak gehaald worden om ongewenste dekkingen te voorkomen.
De beer neemt niet actief deel aan de verzorging van de jongen, maar zal ze ook geen kwaad doen. Hij kan dus bij het nest blijven als we meer jongen willen en de zeug dit aankan.
Is dit niet de bedoeling, dan moet hij voor de geboorte al uit de kooi of het hok worden gehaald.

Als de jongen de eerste twee dagen bij hun moeder melk hebben gedronken, is het mogelijk, bij een eventueel overlijden van hun moeder, om ze met de hand bij te voeren met een papje van volle melk met rijstebloem of Bambix. Wel moet gelet worden op voldoende vitamines en kalk in deze voeding.
Overzetten bij een andere zeug met jongen van ongeveer dezelfde leeftijd kan ook goed gaan.

Continu selecteren tijdens de opfok
Fokken betekent ook selecteren. Jonge dieren worden regelmatig op hun ontwikkeling gecontroleerd.
Jonge dieren die niet gelijkmatig opgroeien en/of afwijkingen vertonen worden nooit perfecte vertegenwoordigers van de soort of het ras. Deze dieren moeten niet aangehouden worden.
Door alleen de beste dieren te houden blijft het ras of de soort zuiver en vitaal met de juiste uiterlijke kenmerken.